Onder het aambeeld van de smederij ligt geen steen, maar een graf. Het is geen gewone graftombe maar een stratigrafie van de technosfeer, een lagenconstruct van betekenis waar elk sediment een eeuwigheid van vergeten keuzes, onderdrukte alternatieven en gekapte mogelijkheden herbergt. Hier, in de diepte waar het vuur van Hephaistos' oven de aarde heeft doen splijten, rusten de botten van oude werelden: de kleitabletten van de pottenbakker, het roestige ijzer van de eerste smid, de gesmolten siliciumchips van de programmeur. Elk artefact is een mummie, gewikkeld in de doeken van zijn eigen tijd.
Laat ons zo een mummie ontleden om niet alleen schroeven en code aan te treffen, maar vooral de sporen van strijd: de strijd tussen onderwerping en bevrijding, tussen de droom van de maker en de logica van het systeem. Een strijd die nog altijd woedt, diep verborgen onder het gloeiende metaal van onze moderne apparaten. Een strijd die bepaalt wie wij zijn, hoe wij handelen, en wat wij mogen verlangen, zonder het te beseffen.
Decompositie van technologie begint niet met het ontleden van een apparaat, maar met het opgraven van de lagen waarin het is ingebed. Wij stellen ons een archeoloog van de technosfeer voor, niet gewapend met een troffel en borstel, maar met een soldeerbout, schroevendraaiertje en een filosofisch kompas. De opgraving is geen zoektocht naar voorwerpen, maar naar betekenissen, naar de sedimenten van macht, verlangen en angst die elk artefact omhullen als een tweede huid. Want technologie is nooit alleen maar materie. Zij is een geologisch proces: een langzame, onzichtbare afzetting van keuzes, dwangbuizen en vergeten alternatieven.
Hier, in de diepte van Hephaistos 'onder het gloeiend metaal, ligt het ware fundament van onze technologische smederij. Het is geen neutrale basis, maar een politiek landschap, een terrein waar steeds vijf aderen van de artefacten als levende stromen samenkomen. Wie deze aderen – dimensies – blootlegt, ziet hoe elk artefact niet alleen een gereedschap is, maar een lichaam, doorkruist door vijf levensstromen die niet alleen functioneren, maar kloppen. Misschien wel als het ichor van Talos1.
De eerste ader: Vermogen
De eerste ader is het vermogen, wat Gibson en Norman2 affordance noemen, maar wat hier begrepen moet worden als het tactiele uitnodigen van een technologie. Het is geen neutrale eigenschap van een object, maar het resultaat van een technogenetisch proces: een oplossing voor een menselijk vraagstuk, altijd al doordrenkt van doelgerichtheid. Een scherm is niet slechts aanraakbaar; het is een antwoord op de vraag hoe wij, als mensen, met machines kunnen communiceren zonder de ruis van de materiële wereld. Het is alsof het artefact fluistert: "Hier mag je zijn, hier mag je handelen, maar niet verder." En wij, als gebruikers, accepteren die uitnodiging, niet wetende dat wij daarmee meteen de eerste stap zetten in een handelingspatroon dat niet door ons, maar door het systeem wordt geleid.
Maar dit vermogen is geen natuurlijke competentie van het object zelf. Het is een concretisering van een mens-machine-relatie, een gestolde dialoog tussen wat wij willen en wat de technologie ons biedt, en omgekeerd. Geïnspireerd door Simondons denken over individuatie3 als een proces waarin mens en techniek elkaar wederzijds vormen, gaat technogenese een stap verder. Het beschrijft hoe technologie niet alleen ontstaat uit menselijke behoeften, maar ook hoe zij terugwerkt op de mens, als een levend wezen dat ons vormgeeft terwijl wij haar vormgeven; de wederkerigheid van mens en machine. Het touchscreen is hierin geen toeval, maar het resultaat van een eeuwenlange zoektocht naar manieren om de kloof tussen menselijk verlangen en technologische mogelijkheid te overbruggen. Het is een antropotechniek in de zin van Sloterdijk: een oefening waarin de mens zichzelf herschept om met de machine om te gaan, en waarin de machine zich aanpast aan de mens, maar altijd binnen de kaders van een logica die al is voorbedacht.
De kleitabletten van de pottenbakker, het roestige ijzer van de eerste smid, de gesmolten siliciumchips van de programmeur – ze liggen niet alleen begraven als overblijfselen, maar als sporen van een strijd. De strijd tussen de mens die wil scheppen en het systeem dat wil controleren. De vermogens die deze artefacten bieden, zijn geen neutrale mogelijkheden, maar uitnodigingen die al zijn doordrenkt met de logica van hun tijd: ze lossen iets op, maar roepen tegelijkertijd nieuwe vragen op, nieuwe afhankelijkheden, nieuwe beperkingen. Wie een smartphone in zijn hand neemt, pakt niet alleen een gereedschap, maar een erfenis – een sedimentslaag in de technosfeer die al heeft besloten wat wij mogen willen, en hoe wij dat mogen doen. Want wat is die erfenis anders dan een verzameling voorgekauwde keuzes? Precies hier, in onze schijnbare vrijheid, ontvouwt zich de tweede ader.
De tweede ader: Handelingskeuze
Waar wij liever spreken van een gecontroleerde illusie, is de tweede ader die door de artefacten van het vermeend menselijk vernuft – technologie – stroomt die van de handelingskeuze, populair-technisch benoemd als agency. Dat begrip ademt een gevoel van keuzevrijheid. Maar wat is keuzevrijheid binnen een systeem dat al heeft bepaald welke opties er mogen zijn? Een smartphone biedt ruimte voor talloze applicaties, maar wie heeft besloten welke apps zichtbaar zijn en welke verborgen blijven? Wie heeft de architectuur van die keuzes ontworpen, en waarom voelen die keuzes als van onszelf (intuitive design), terwijl ze zijn gepredegusteerd door een logica die ons volledig ontgaat?
We zagen in de schemering van de twintigste eeuw de geboorte van een nieuwe sfeer: een digitaal hemelgewelf dat immer als een fata morgana boven onze hoofden hing. Het was een belofte, fluisterde de Grote Vertellers van de Silicon Valley-mythe; een belofte van een vrijheid zoals die nooit eerder was gekend. Maar vrijheid, wat is dat eigenlijk? Peter Sloterdijk leerde ons dat het geen plat, eendimensionaal begrip is, maar een sferologie van beknellingen en verluchtingen, een schuim waarin wij leven, ademen, en handelen.
Stel je voor: een sfeer is geen gevangenis, maar ook geen paradijs. Het is een immunitaire bol, een atmosfeer die ons beschermt en tegelijkertijd gevangenhoudt. Het digitale hemelgewelf is zo'n bol; een onzichtbare koepel die ons omhult met de belofte van verbinding, kennis, en oneindige mogelijkheden. Maar wie heeft deze bol gebouwd? Wie heeft de lucht bepaald die wij inademen? Wie heeft besloten welke gedachten wij mogen uitblazen en welke acties wij mogen uitzetten? De affordance van technologie reikt dan ook veel verder dan de functionaliteit van een app of de snelheid van een processor. Het is de onzichtbare hand, het meta-narratief, de architectuur van de keuze die ons omhult. De affordance van de duimscroll is niet slechts een technische mogelijkheid, maar een sferische uitnodiging; een fluistering die ons doet geloven dat wij vrij zijn, terwijl wij slechts meebewegen in een voor ons ontworpen ritme: "Hier is een beeld, een video, een commentaar. Consumeer mij. Er is geen einde aan mijn weelde." Het is de schijnvrijheid van homo ludens die denkt te spelen maar in werkelijkheid gespeeld wordt, niet door een menselijke tegenstander, maar door de architectuur van de aandacht zelf.
Maar wat als wij eens stoppen? Wat als wij onze adem inhouden en luisteren naar de stilte onder het schuim? Wat als wij onze gedachten niet uitblazen, maar ze laten bezinken? Dan merken wij misschien dat de sfeer die ons omhult niet onze sfeer is, maar een geconstrueerde bol – een immersieve illusie die ons doet vergeten dat wij ook buiten kunnen stappen. Dat is de echte vrijheid: niet de oneindige scroll, maar het bewuste moment waarop wij de bol doorprikken en ons realiseren dat wij niet bewoners zijn van een digitale sfeer, maar scheppers van onze eigen werkelijkheid.
En dan, in de diepte van dit netwerk, de paradox van onze agency. Want vrijheid is niet de afwezigheid van dwang, maar de beperking tot de essentie. De ware vrijheid is de keuze die gemaakt wordt, ondanks de rijkdom van de mogelijkheden. Onze agency ligt niet in het eindeloos scrollen, maar in de bewuste beslissing om het apparaat weg te leggen, het scherm te sluiten, om het onvermijdelijke te weerstaan. Het is de Heraklitische daad van de afwijzing. Het is de stilte die volgt op de storm. Het is de terugtrekking uit de Arena van het Voortdurende, de bewuste keuze voor een moment van niet-verbinding.
De moderne mens is een Sisyphus4 van de aandacht, die onophoudelijk een rots van informatie de berg opduwt, wetende dat deze onvermijdelijk weer naar beneden rolt. Maar de agency is ook de mogelijkheid om de rots te laten vallen, om te stoppen met duwen, om een ander pad in te slaan. De homo ludens, die Huizinga bewonderde, speelde in de gesloten sfeer van het speelveld, waar de regels duidelijk en de grenzen afgebakend waren. De ware vrijheid lag in het vrijwillig accepteren van deze grenzen. Maar het digitale speelveld heeft geen grenzen. Het is een oneindige loop. De affordance is oneindig, en onze agency wordt verondersteld oneindig te zijn in reactie daarop. Maar de mens is eindig. Zijn aandacht is eindig. Zijn leven is eindig. En in die eindigheid ligt de ware kracht van de keuze. De ware vrijheid is niet de oneindigheid van het scherm, maar de eindigheid van het menselijk hart dat de moed heeft om te zeggen: "Genoeg."
Zo ontvouwt zich de technologische sfeer als de arena van een nieuwe, antropotechnische strijd. Het is niet langer de vertrouwde tragedie van de staat tegen het individu, noch het epos van de onderdrukte tegen de onderdrukker. Het is de metamorfose van de strijd zélf: de mens tegen zijn eigen exoskelet van geest, een conflict met de eigen creatie die intussen als een tweede natuur is gaan functioneren. Dit is de strijd van de agency – dat wankele gevoel van zelfbeschikking – tegen de affordance – de geniepige sturing door de ontworpen omgeving. Het is de opstand tegen de verleidelijke roep van het Niets, dat zich in de gedaante van de hypervolle timeline als het Al aanprijst. Wat hier op het spel staat, is de soevereiniteit van de leegte, de vrijheid van de pauze, de sublieme daad van het uitschakelen als laatste immunologische reflex. Want pas in de kunstmatig geproduceerde stilte, in de zelfopgelegde quarantaine van het zwarte scherm, kan de mens zichzelf weer horen ademen. En in die adem, in dat pre-reflectieve geluid van het bestaan, gloort de kiem van een werkelijk vrije handeling, een handeling die niet slechts een reactie is op de affectieve prikkels van de interface.
En toch – ironie van de antropotechniek – precies in deze zelfopgelegde beperking, in het kiezen uit de voorgekauwde menu's, waant de mens zich soeverein. Het is de perfecte misleiding: het gevoel dat de keuzes die wij maken écht van ons zijn. Maar wie tekende de kaders van dit keuzelandschap? Welke onzichtbare hand bepaalde dat wij moeten selecteren uit wat ons wordt voorgeschoteld, in plaats van de veel radicalere vraag te stellen naar wat wij eigenlijk zouden willen, als onze verlangens niet vooraf waren gekneed door de architectuur van de aandacht? Hier doemt de grote schim van de vrijheid op, niet als een natuurlijk gegeven, maar als een geconstrueerd fenomeen, een product van dezelfde antropotechnieken die ons handelen mogelijk maken en ons tegelijkertijd insluiten in een cocon van comfortabele onvrijheid.
In dit licht krijgt Isaiah Berlin's5 beroemde onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid een bijna perverse wending. De negatieve vrijheid – de afwezigheid van externe dwang – wordt in de digitale sfeer gereduceerd tot de groteske illusie van de oneindige scroll. Alsof de loutere afwezigheid van een censor gelijkstaat aan een werkelijk vrije ruimte. Maar wat als deze schijnbare oneindigheid zelf de meest verfijnde gevangenis is, een cel waarvan de muren zijn opgetrokken uit de affectieve logica van 'meer van hetzelfde'? En wat als de positieve vrijheid – het vermogen tot zelfrealisatie – wordt ingeperkt tot het kiezen binnen de kaders die het systeem toestaat? Dan is onze vrijheid geen bevrijding, maar een onderwerping aan de koude, affectief geladen logica van het algoritme, aan de onzichtbare hand van een ontwerp dat pretendeert te dienen, terwijl het ons in feite vormgeeft naar het evenbeeld van zijn eigen drijfveren.
Daniel Dennett6 zou hier wellicht een grimmige grijns niet kunnen onderdrukken. Want is onze illusie van autonomie niet de ultieme, door evolutie en techniek gecoproduceerde truc? Maar laten wij Dennetts naturalistische kijk hier niet als eindpunt nemen, maar als een te smalle lens biedt om de complexiteit van onze condition humaine te vatten. De werkelijke kwestie ligt niet in de metafysica van de vrijheid, maar in de fenomenologie van de aangeboden vrijheid: welke vrijheid wordt ons affectief aantrekkelijk gemaakt, en hoe vormt die vrijheid ons, niet als abstracte mogelijkheid, maar als concrete, levende werkelijkheid? Wat als de enige echte vrijheid niet schuilt in het kiezen binnen het systeem, maar in het doorzien van de affectieve programmering van het systeem zélf? Wat als ware autonomie begint op het moment dat wij niet langer reageren op de prikkels, maar de prikkels zelf bevragen?
Voetnoten
- 1.Ichor was in de Griekse mythologie de goddelijke vloeistof die door de aderen van de onsterfelijke wezens stroomde, in plaats van bloed. Talos, de bronzen reus gesmeed door Hephaistos, werd volgens sommige versies tot leven gewekt door deze vloeistof, die hem zijn kracht en onsterfelijkheid verleende. Net als het ichor dat Talos tot een levend, maar kunstmatig wezen maakte, doorkruisen de vijf aderen van technologie onze artefacten als levensstromen – niet als neutrale functies, maar als krachten die ons vormgeven.
- 2.Het concept affordance werd geïntroduceerd door de psycholoog James J. Gibson als de mogelijkheden tot handelen die een omgeving of object een actor biedt, niet als een subjectieve interpretatie, maar als een direct waarneembare relatie tussen lichaam en wereld. In The Ecological Approach to Visual Perception (1979) beschrijft Gibson hoe perceptie en actie onlosmakelijk verbonden zijn met de materiële eigenschappen van de omgeving. Donald Norman paste dit concept toe op design in The Design of Everyday Things (1988), waarbij hij benadrukte hoe ontwerpkeuzes gebruikers gedrag sturen door bepaalde acties uit te nodigen of af te remmen. Waar Gibson affordances zag als neutrale mogelijkheden in een natuurlijke omgeving, toont Norman aan hoe ze in technologische contexten vaak voorbedacht en gestuurd zijn – een inzicht dat cruciaal is voor het begrijpen van technologie als een politiek en tactiel veld. Zie: Gibson, J. J. (1982).De ecologische benadering van visuele waarneming (vert. uit het Engels). Lemniscaat.) en Norman, D. A. (1990). Het ontwerp van alledaagse dingen (vert. uit het Engels). Business Contact.
- 3.Waar Simondons individuatie technologie beschrijft als een proces van wederzijdse vorming tussen mens en machine, waarbij beide zich in een dynamische relatie concretiseren, gaat technogenese een stap verder: het benadrukt niet alleen de co-evolutie van mens en technologie, maar ook hoe deze relatie nieuwe werkelijkheden schept – werkelijkheden die zowel bevrijdend als onderdrukkend kunnen zijn. Simondons concept van individuatie is de voorloper van dit idee: hij toont aan dat technologische objecten geen afgeronde producten zijn, maar levende entiteiten in een voortdurend wordingsproces. Dit inzicht maakt duidelijk waarom technologie nooit neutraal kan zijn, maar altijd politiek en existentieel geladen – een principe dat in technogenese centraal staat.
- 4.De moderne mens als Sisyphus van de aandacht is geen toeval, maar een structurele analogie: net als de mythische koning die voor eeuwig een rots tegen een berg op duwt, alleen om deze steeds weer naar beneden te zien rollen, is de moderne mens gevangen in een eindeloze cyclus van aandachtsprikkels – notificaties, likes, streams – die nooit bevrediging bieden, maar wel altijd verlangen oproepen. Het verschil? Sisyphus wist dat zijn straf zinloos was; de moderne mens gelooft dat zijn scrollen, klikken en consumeren hem dichter bij bevrediging brengt. Camus zag in Sisyphus een absurde held die zijn lot omarmde; de moderne mens is een tragische gevangene die zijn eigen gevangenis niet eens meer opmerkt. De ironie is dat wij vrijwillig meedoen aan een spel waarvan de regels al zijn vastgelegd – en dat wij onze eigen rots blijven duwen, in de illusie dat wij vooruitgang boeken. Zie: Albert Camus, Le Mythe de Sisyphe (1942).
- 5.Isaiah Berlins onderscheid tussen negatieve vrijheid (de afwezigheid van externe belemmeringen) en positieve vrijheid (het vermogen om jezelf te realiseren en zelf te bepalen) krijgt in het digitale tijdperk een perverse wending. Wat oorspronkelijk bedoeld was als een kritisch kader om macht en autonomie te begrijpen, wordt in de algoritmische sfeer omgekeerd: negatieve vrijheid wordt een illusie van oneindige keuzes, terwijl positieve vrijheid wordt ingeperkt tot het kiezen binnen vooraf bepaalde kaders.
- 6.De 'oneindige scroll' is zo effectief niet omdat deze Berlins negatieve vrijheid karikaturiseert, maar omdat deze een ecologische niche creëert waarin onze oeroude, door evolutie gevormde mechanismen voor nieuwsgierigheid en beloning – onze 'aandachtseconomie' – worden gekaapt. Het systeem biedt een schijnbare overvloed aan keuzes (negatieve vrijheid) die perfect is afgestemd op onze 'choice-engine', maar het berooft ons tegelijkertijd van de cognitieve middelen – de tijd, de rust, de 'onontvankelijkheid' – die nodig zijn voor de hogere-orde reflectie waar positieve vrijheid, of wat Dennett 'zelfsturing' zou noemen, van afhangt. De echte illusie is niet dat we keuzes hebben, maar dat de keuzes die ons worden gepresenteerd, betekenisvolle opties zijn voor een wezen dat streeft naar autonomie. Het systeem laat onze 'vrijheid' intact als een lokaas, maar het ondermijnt systematisch de voorwaarden voor 'wilskracht'. Dennett zou dus concluderen dat het digitale tijdperk Berlins onderscheid niet perverteert, maar eerder een brutale stresstest ervan uitvoert. Het laat zien dat negatieve vrijheid, zonder de cognitieve en affectieve voorwaarden voor positieve vrijheid, een lege huls is.
Licentie & Gebruik
© 2025 Kees Winkel. "Decompositie van de Technologie". Dit werk is gelicenseerd onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal licentie.
U bent vrij om:
- Delen — het materiaal te kopiëren en te verspreiden
- Bewerken — het materiaal te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
Onder de volgende voorwaarden:
- Naamsvermelding — U moet de auteur vermelden, een link naar de licentie geven, en aangeven of het werk veranderd is. Gebruik de citatie-generator op deze pagina voor correcte annotatie.
- NietCommercieel — U mag het werk niet voor commerciële doeleinden gebruiken zonder expliciete toestemming van de auteur.
- GelijkDelen — Als u het werk heeft geremixt, veranderd, of op het werk heeft voortgebouwd, moet u het veranderde materiaal verspreiden onder dezelfde licentie als het originele werk.
Voor commercieel gebruik of andere vragen, neem contact op via [email protected]