"Als waar blijkt dat weten (in de moderne betekenis van technische rationaliteit) de macht is om te ordenen, te voorspellen en te beheersen, dan is de technologische mens niet slechts een nieuwe actor, maar een nieuwe metafysische toestand." (Georges Bataille, 1949) [1]
De Onrust van het Menselijk Bestaan
Onrust drijft de mens. Het is een fundamentele onbepaaldheid die ons doet tasten naar vorm, orde en betekenis. Lang voordat er sprake was van politiek, instituties en wetten, voelde de mens de diepe, existentiële beweging van verlangen om de wereld niet slechts te bewonen, maar te vormen, te beheersen, te begrijpen. Het is de drift die de dichter Lucebert wellicht aanduidde als 'de ruimte van het volledig leven' [2], een ruimte die niet gegeven is, maar geschapen moet worden in een voortdurende poëtische daad van vormgeving. Het is een gevoel van tekort, een fundamentele 'manque' zoals Sartre het zou noemen, een leegte in het hart van ons zijn die ons voortstuwt naar de wereld, naar de ander, naar hèt project. Rainer Maria Rilke zei in De Elegieën van Duino dat wij zijn geworpen in een bestaan dat ons niet verwachtte, een wereld die ons niet nodig had, die ons niet vroeg te komen. Onze echo van onze verlorenheid klinkt in Rilke's dichtregel "Wer, wenn ich schriee, hörte mich denn aus der Engel Ordnungen? " [3] (Wie, als ik riep, zou mij dan horen uit de reien der Engelen?). [4] En toch zijn wij hier, rusteloos, zoekend, scheppend. Vooral gedreven door een honger die nooit volledig gestild kan worden, een onrust die de motor is van onze geschiedenis, een drift die Georges Bataille misschien zou herkennen als een vorm van dépense [5] - verspilling - ; een overschot aan energie dat zich moet uiten, moet verspillen, moet vormgeven. En juist hier sluit zich een cirkel met het denken van Albert Borgmann, die stelt dat technologie in haar alledaagse vanzelfsprekendheid, het dominante patroon van onze wereldordening is geworden. Technologie biedt ons geen neutrale hulpmiddelen, maar bepaalt de manier waarop wij de wereld begrijpen, bewonen en beheersen. Ze wordt tot wat Borgmann noemt een karakteristieke manier van zijn in de wereld [6]; een conditionering die zich voordoet als gezond verstand, als evidentie zó vanzelfsprekend dat ze buiten de discussie valt. Zo is de moderne mens geworpen in een conditionele omgeving waarin zijn oeroude onrust - zijn drift naar ordening en vormgeving - een technologische gedaante heeft aangenomen. Niet langer schept hij slechts met woorden of gebaren, maar met systemen, codes en infrastructuren. In die ordening klinkt nog steeds de echo van de verloren schreeuw - nu versterkt door algoritmen.
Om te kunnen spreken over macht in onze tijd en specifiek over technologie als de dominante vorm waarin macht zich vandaag manifesteert, moeten wij afdalen naar deze oorspronkelijke onrust, naar de wil die aan alle macht voorafgaat. Macht is niet primair een kwestie van decreten, legers of grenzen; het is de geobjectiveerde, geïnstitutionaliseerde vorm van een dieperliggend verlangen, een wil tot vormgeving die inherent is aan het menselijk bestaan zelf. En daarom ontvouwen wij nu een choreografie van drie bewegingen die samen de complexe dans van onze technologische conditie vormen: de wil als oorsprong, de macht als verwerkelijking, en de autonomisering van systemen als hun paradoxale, bijna tragische voltooiing.
Als gids in deze verkenning dient ons de figuur van Hephaistos, de kreupele god van de smidse, de meester-ambachtsman van Olympus. Anders dan Prometheus, de Titaan die het vuur stal en de mensheid verhief tot een bijna goddelijke status, maar daarvoor eeuwig gestraft werd, belichaamt Hephaistos een meer ambivalente, meer aardse, en misschien wel meer menselijke relatie tot technologie. Hij is de schepper van wonderbaarlijke automata - driepoten die zelfstandig naar de vergadering van de goden rollen, gouden dienaressen die hem ondersteunen, een bronzen reus, Talos, die Kreta bewaakt. Hij smeedt de onverwoestbare wapenrusting van Achilles, de bliksemschichten van Zeus, de drietand van Poseidon, de gordel van Aphrodite die onweerstaanbare begeerte opwekt. Maar hij is ook de verstotene, uit de hemel geworpen door zijn moeder Hera vanwege zijn misvorming, of door Zeus vanwege zijn partijdigheid voor Hera. Hij is de bedrogen echtgenoot, wiens vrouw Aphrodite hem ontrouw is met Ares, de oorlogsgod - een vernedering die hij wreekt door een ingenieus, onzichtbaar net te smeden waarin hij de geliefden vangt en tentoonstelt aan de andere goden. Hephaistos is de god die zijn eigen fysieke beperkingen compenseert met technische virtuositeit, de god die macht uitoefent via zijn creaties, maar tegelijkertijd kwetsbaar blijft, afhankelijk en zelfs een object van spot.
Zijn creaties ondersteunen hem, vergroten zijn macht, maar belichamen tegelijk zijn afhankelijkheid, zijn kwetsbaarheid, zijn isolement. De gouden dienaressen, hoewel ze hem helpen, benadrukken zijn eenzaamheid en zijn onvermogen tot natuurlijke voortplanting of relaties. Het net waarmee hij Aphrodite en Ares vangt, toont zijn technische superioriteit, maar ook zijn onmacht in de liefde en zijn behoefte aan publieke erkenning voor zijn leed. In de mythe van Hephaistos vinden we geen triomfantelijk verhaal van technologische vooruitgang, maar een diepgaande reflectie op de dialectiek van schepping en onderwerping, van zelfverheffing en zelfvervreemding, die onze relatie tot technologie kenmerkt. Hij is de god van de technē, maar ook de god van de pijn, de afwijzing, de compensatie.
Zoals Hephaistos zijn gouden dienaressen schiep, mechanische wezens die hem ondersteunden in zijn werk maar tegelijk zijn isolement en zijn afhankelijkheid van het kunstmatige benadrukten, zo scheppen wij technologische systemen die onze collectieve macht vergroten en tegelijk onze individuele en collectieve kwetsbaarheid verdiepen. We bouwen infrastructuren die ons verbinden en controleren, algoritmen die ons informeren en sturen, platforms die gemeenschap faciliteren en fragmenteren. We creëren kunstmatige intelligentie die ons werk uit handen neemt, maar ons ook overbodig dreigt te maken; sociale media die ons verbinden met de wereld, maar ons ook isoleren in filterbubbels; biotechnologie die ons leven verlengt, maar ons ook confronteert met nieuwe ethische dilemma's. In deze voortdurende wisselwerking tussen menselijke intentie en technologische dynamiek ontvouwt zich het drama van onze tijd - een drama dat niet slechts gespeeld wordt op het wereldtoneel van geopolitiek en economie, maar in de diepste vezels van ons dagelijks leven, in de structuur van onze waarneming, ons denken, ons verlangen.
En daarmee is dit essay een poging om de contouren van dit drama te schetsen, om de onderliggende bewegingen bloot te leggen die onze technologische realiteit vormgeven. Het is een filosofische reis naar de kern van macht. Het is een zoektocht naar begrip in een tijdperk waarin de door ons geschapen systemen een eigen leven lijken te leiden, waarin de wil tot beheersing dreigt om te slaan in een onbeheersbare dynamiek. Laten we beginnen bij de bron, bij de eerste beweging: de rusteloze wil tot vormgeving die ons definieert als mens, de wil die voortkomt uit onze fundamentele onrust en ons voortstuwt op het pad van technologische creatie.
I. De Wil tot Vormgeving: De Eerste Beweging
Dat fundamenteel onbepaald gevoel - onrust - dat de mens doet tasten naar vorm, naar orde en betekenis is geen oppervlakkige rusteloosheid, geen tijdelijke staat van agitatie, maar een ontologische conditie die ons definieert als soort. Het is wat Blaise Pascal herkende als het fundamentele onvermogen van de mens om in rust te verblijven: "Tout le malheur des hommes vient d'une seule chose, qui est de ne savoir pas demeurer en repos dans une chambre." [7] Deze onrust is geen gebrek, maar een overschot aan potentialiteit en vrijheid die vorm zoekt. Wij zijn geworpen in een wereld die ons niet verwachtte, die ons niet nodig had, ons niet vroeg te komen. De Duitse dichter Hölderlin verwoordde deze existentiële situatie treffend: "Voll Verdienst, doch dichterisch, wohnet der Mensch auf dieser Erde." Vol verdienste, maar dichterlijk, woont de mens op deze aarde [8] - een wezen dat niet simpelweg is, maar dat zichzelf en zijn wereld moet dichten - moet vormen, scheppen. En toch zijn wij hier, tastend, zoekend, vormend; gedreven door een onrust die ons nooit verlaat, een honger die nooit volledig gestild kan worden. Deze existentiële onrust is geen toevallige eigenschap van ons bestaan, maar de essentie ervan. Het is het kloppende hart van onze menselijkheid.
De geschiedenis van de macht wordt doorgaans verteld in termen van instituties, decreten en oorlogen. Zij verschijnt in verdragen, wettenbundels, constituties en revoluties. Macht is zichtbaar waar grenzen worden bewaakt, waar vlaggen worden gehesen en waar recht wordt gesproken. De traditionele politieke theorie, van Machiavelli tot Weber, heeft zich geconcentreerd op deze zichtbare manifestaties van machtsmonopolie op soevereiniteit, legitiem geweld en de formele structuren van autoriteit en gehoorzaamheid. Wie de wereld beziet door het prisma van geopolitiek of staatsrecht, ziet macht als een spel tussen mensen en hun structuren, verdeling van rechten en plichten of een systeem van checks and balances. Maar deze voorstelling, hoe accuraat ook in haar domein, raakt slechts de buitenste rand van een dieper, tragischer fenomeen. Het is een fenomeen dat zich onttrekt aan de categorieën van politieke theorie en institutionele analyse[9].
Want onder de zichtbare gedaante van macht - de troon, de wet, de schuld - sluimert een fundamentelere beweging: die van de wil. Niet de wil als psychologisch verschijnsel, niet als bewuste keuze of verlangen, maar als existentiële beweging die aan alle bewustzijn voorafgaat. Een beweging die zich baan breekt door het bestaan zelf, die zich manifesteert in elke poging om de wereld niet slechts te bewonen, maar te vormen. Deze wil tot vormgeving is de eerste beweging in onze drieledige machtsinterpretatie - de beweging die aan alle andere voorafgaat en die alle andere mogelijk maakt. Het is wat Spinoza misschien zou herkennen als conatus, als het fundamentele streven van elk wezen om te volharden in zijn bestaan. Maar dan uitgebreid tot een actieve vormgeving van de wereld.
Deze wil is geen luxe, noch een toevoeging aan een voltooid menselijk wezen. Zij is de essentie van onze conditie. Arnold Gehlen, de scherpe observator van de menselijke natuur, fluistert ons toe dat de mens een 'Mangelwesen' [10] is; een gebrekkig wezen dat zijn biologische tekortkomingen moet compenseren door middel van cultuur en techniek. Anders dan andere dieren, die zijn aangepast aan specifieke ecologische niches door gespecialiseerde organen, instincten en lichamen, kenmerkt de mens zich door wat Gehlen 'wereldopenheid' noemt - een fundamentele onbepaaldheid die zowel onze zwakte als onze kracht vormt. Wij hebben geen klauwen om te vechten, geen vacht om ons te beschermen tegen de elementen, geen gespecialiseerde zintuigen om specifieke prooien op te sporen. Maar belangrijker nog: wij hebben geen instincten die ons precies vertellen hoe te handelen, hoe te leven, hoe te zijn. Deze openheid is lastig maar biedt mogelijkheden: wij moeten onszelf en onze wereld vormgeven om te kunnen overleven. Gehlen's antropologie bouwt voort op het werk van achttiende-eeuwse Johann Gottfried Herder die de mens karakteriseerde als een wezen dat, in vergelijking met andere dieren, gekenmerkt wordt door een `Mängel an Kunstfertigkeiten' - een gebrek aan gespecialiseerde vaardigheden - maar dat dit compenseert door wat hij de `Besonnenheit' noemt, een vorm van reflectieve aandacht die de mens in staat stelt om zijn eigen ervaringen te organiseren en te structureren. Deze Besonnenheit is niet slechts een cognitieve capaciteit, maar vooral een existentiële houding die de mens in staat stelt om afstand te nemen van zijn directe omgeving en deze te transformeren volgens zijn eigen behoeften en verlangens.
Zoals Hephaistos, kreupel geboren en verstoten door zijn moeder Hera, zijn gebrek aan fysieke perfectie compenseerde door zijn ongeëvenaarde vaardigheid in de smidse, zo compenseert de mens zijn biologische onbepaaldheid door technologische vormgeving. De kreupelheid van Hephaistos is geen toevallig attribuut, maar een symbool van de fundamentele onvoltooidheid die de menselijke conditie kenmerkt. In de Ilias beschrijft Homerus hoe Hephaistos, ondanks zijn fysieke beperkingen, wonderbaarlijke creaties smeedt: driepoten die zelfstandig naar de vergadering van de goden rollen, gouden dienaressen die hem ondersteunen in zijn werk, de wapenrusting van Achilles die niet slechts functioneel is maar ook esthetisch perfect. Deze creaties zijn niet slechts compensaties voor zijn gebrek, maar transformaties van dat gebrek tot een nieuwe vorm van kracht en schoonheid. Technologie is geen luxe, maar een noodzakelijke compensatie voor onze biologische onbepaaldheid. Wij zijn, in Gehlen's woorden die resoneren als een echo door de geschiedenis van ons zelfbegrip, van nature kunstmatig[11].
Helmuth Plessner verdiept deze gedachte wanneer hij de mens karakteriseert door zijn 'excentrische positionaliteit' - het vermogen om niet alleen in zichzelf te zijn, maar ook buiten zichzelf te treden en zichzelf te beschouwen. Waar dieren volledig opgaan in hun directe ervaring, in wat Plessner de 'centrische positionaliteit' noemt, kunnen wij afstand nemen van onszelf, onszelf objectiveren, onszelf als probleem ervaren. Deze excentrische positie dwingt ons tot cultuur en techniek: "Der Mensch muss sich zu dem, was er schon ist, erst machen." De mens moet zichzelf eerst maken tot wat hij al is. Deze paradoxale formulering onthult de fundamentele spanning in ons bestaan: wij zijn tegelijk bepaald en onbepaald, gegeven en opgegeven, feit en mogelijkheid. In deze spanning ligt de oorsprong van alle technologie, alle cultuur, alle beschaving.
Plessner's concept van excentrische positionaliteit bouwt voort op het werk van Max Scheler, die de mens karakteriseerde als een "weltoffenes" wezen, een wezen dat niet gebonden is aan een specifieke omgeving maar open staat voor de wereld als geheel. Deze wereldopenheid is niet slechts een cognitieve capaciteit, maar een existentiële conditie die de mens dwingt tot voortdurende zelfvorming en wereldvorming. De mens is, in Scheler's woorden, een "Neinsagenkönner" - een wezen dat nee kan zeggen tegen zijn directe impulsen en verlangens, dat afstand kan nemen van zijn eigen driften en deze kan transformeren in culturele en technische vormen.
Alleen wie weet wat macht wezenlijk is, begrijpt hoe zij zich manifesteert in systemen, in ontwerpen, in protocollen. En alleen wie de wil tot vormgeving doorgrond heeft, kan kritisch nadenken over de grens van het vormbare en toelaatbare. Dit deel is daarmee een stap terug om verder te kunnen kijken; een verkenning van de diepere onderstromen waaruit technologie geen neutraal gereedschap blijkt, maar de moderne vorm van wereldvormgeving - een vormgeving die zowel bevrijdt als beheerst, die zowel verheft als onderwerpt.
De mens is, zoals Peter Sloterdijk ons in een moment van helderheid toont, een antropotechnisch wezen - een soort dat zichzelf hervormt via instrumenten, structuren, technieken. In zijn trilogie "Sphären" en in "Du mußt dein Leben ändern" ontvouwt zich een theorie van de mens als zelfvormend wezen dat voortdurend bezig is met wat hij 'verticale spanningen' noemt: pogingen tot zelfoverwinning en zelfverbetering. De mens traint, optimaliseert, verhoogt zichzelf voortdurend. Hij is de diersoort die zichzelf ombouwt.
Sloterdijk's antropotechnische visie is geen technologisch determinisme, maar een erkenning van de fundamentele co-evolutie van mens en techniek. Wij hebben onszelf niet slechts uitgebreid met werktuigen, maar zijn gevormd door onze werktuigen. Onze handen zijn niet slechts instrumenten om de wereld te grijpen, maar zijn zelf gevormd door millennia van technische manipulatie. Onze hersenen zijn niet slechts organen die technologie uitvinden, maar zijn zelf gevormd door de cognitieve uitdagingen die technologie stelt. In deze zin is technologie niet iets dat buiten ons staat, maar een constitutief element van onze menselijkheid.
In "Du mußt dein Leben ändern" beschrijft Sloterdijk hoe de mens zichzelf voortdurend vormt door wat hij 'antropotechnieken' noemt - praktijken van zelfvorming die variëren van spirituele oefeningen tot moderne fitness-regimes, van monastieke disciplines tot technologische zelfoptimalisatie. Deze antropotechnieken zijn niet slechts instrumenten die we gebruiken, maar praktijken die ons vormen, die ons maken tot wie we zijn. Ze zijn, in Sloterdijk's woorden, "Übungssysteme" - systemen van oefening die ons in staat stellen om onszelf te overstijgen, om nieuwe vormen van menselijkheid te creëren.
Zoals Hephaistos zijn eigen lichaam uitbreidde met mechanische hulpmiddelen en automata die hem ondersteunden in zijn werk, zo breidt de mens zijn biologische capaciteiten uit met technologische prothesen. Deze antropotechnische conditie is geen bijkomstigheid, maar het wezen van onze menselijkheid: niet als iets dat buiten ons staat, maar als de essentie van wie wij zijn. De smidse van Hephaistos is niet slechts een mythologisch beeld, maar een metafoor voor de menselijke conditie zelf - een conditie van voortdurende zelfvorming en zelfoverstijging.
In de mythe wordt Hephaistos vaak afgebeeld in zijn werkplaats, omringd door zijn creaties, werkend aan nieuwe wonderbaarlijke objecten. Deze werkplaats is niet slechts een fysieke ruimte, maar een symbolische arena waarin de dialectiek van schepping en onderwerping, van zelfverheffing en zelfvervreemding, zich ontvouwt. Hephaistos schept objecten die zijn macht vergroten - de bliksemschichten van Zeus, de drietand van Poseidon, de wapenrusting van Achilles - maar hij blijft zelf kreupel, afhankelijk, kwetsbaar. Zijn technische virtuositeit compenseert zijn fysieke beperkingen, maar transformeert deze niet volledig. In deze ambivalentie ligt een diepe wijsheid besloten: de erkenning dat technologie zowel bevrijdt als beperkt, zowel verheft als onderwerpt.
In deze eerste beweging - de wil tot vormgeving - ligt de kiem van alle macht, alle technologie, alle beschaving. Zij is de onzichtbare onderstroom die alle zichtbare manifestaties van menselijke creativiteit en dominantie voedt. Zij is het rusteloze hart van onze soort, de drijvende kracht achter onze eindeloze pogingen om de wereld naar onze hand te zetten. En in deze rusteloosheid, deze fundamentele onbepaaldheid, ligt zowel onze grootheid als onze tragedie besloten. Want wat begint als vormgeving, eindigt vaak als onderwerping - een dialectiek die zich ontvouwt in de tweede beweging van onze machtsinterpretatie.
II. De Transformatie van Wil tot Macht: De Tweede Beweging
Waar de wil tot vormgeving de eerste beweging vormt in onze drieledige machtsinterpretatie, manifesteert zich een tweede, meer complexe beweging: de transformatie van wil tot macht. Hier verlaat de vormgevende impuls het domein van het individuele en betreedt het de arena van het collectieve, het institutionele, het systematische. De wil, eenmaal geëxternaliseerd in structuren en systemen, keert terug als macht - niet langer als louter persoonlijke expressie, maar als geobjectiveerde kracht die zowel bevrijdt als beheerst, die zowel verheft als onderwerpt.
Deze transformatie is geen eenvoudige overgang, geen lineaire progressie, maar een dialectisch proces waarin de oorspronkelijke impuls zichzelf zowel verwerkelijkt als vervreemdt. Het is een proces dat doet denken aan wat Hegel beschreef als de beweging van de geest die zichzelf externaliseert in de objectieve wereld, om vervolgens zichzelf te herkennen in deze objectiviteit en terug te keren tot zichzelf op een hoger niveau van zelfbewustzijn. Maar waar Hegel's dialectiek culmineert in een verzoening, in een 'Aufhebung' waarin de tegenstellingen worden opgeheven in een hogere synthese, blijft de dialectiek van wil en macht fundamenteel onopgelost, gespannen, tragisch.
Friedrich Nietzsche, die grote diagnosticus van de westerse cultuur, herkende in deze transformatie een fundamentele dynamiek. Zijn concept van de 'wil tot macht' is geen verheerlijking van brute dominantie, zoals vaak verkeerd begrepen, maar een erkenning van de creatieve, vormgevende kracht die inherent is aan het leven zelf. "Dit leven zelf," schrijft hij in Also Sprach Zarathustra, "is wil tot macht." Het is de drang tot zelfoverwinning, tot groei, tot expansie - niet primair als onderwerping van anderen, maar als voortdurende zelfoverstijging. In deze zelfoverstijging ligt de kern van wat Nietzsche de 'Übermensch' noemt: niet een biologisch superieur wezen, maar een existentiële houding van voortdurende zelfvorming en zelfoverwinning.
In "Jenseits von Gut und Böse" schrijft Nietzsche: "Leben selbst ist wesentlich Aneignung, Verletzung, Überwältigung des Fremden und Schwächeren, Unterdrückung, Härte, Aufzwängung eigener Formen, Einverleibung und mindestens, mildestens, Ausbeutung." Het leven zelf is wezenlijk toe-eigening, verwonding, overweldiging van het vreemde en zwakkere, onderdrukking, hardheid, opdringen van eigen vormen, inlijving en op zijn minst, op zijn mildst, uitbuiting. Deze passage wordt vaak gelezen als een verheerlijking van geweld en dominantie, maar Nietzsche beschrijft hier geen moreel ideaal, maar een ontologische conditie. Het leven zelf, in al zijn vormen, is een voortdurend proces van vormgeving, van toe-eigening, van transformatie. De wil tot macht is geen morele categorie, maar een ontologische: het is wat het leven tot leven maakt.
Nietzsche's visie op de wil tot macht is geen pleidooi voor tirannie of onderdrukking, maar een erkenning van de fundamentele creativiteit die het leven kenmerkt. Het leven streeft niet primair naar zelfbehoud, naar stabiliteit, naar evenwicht - het streeft naar groei, naar intensiteit, naar overvloed. Deze overvloed uit zich in de eindeloze variatie van levensvormen, in de voortdurende transformatie van soorten, in de onuitputtelijke creativiteit van de evolutie. De wil tot macht is niet een psychologische eigenschap van bepaalde individuen, maar een ontologisch principe dat het leven zelf kenmerkt.
In "Der Wille zur Macht" schrijft Nietzsche: "Was ist gut? - Alles, was das Gefühl der Macht, den Willen zur Macht, die Macht selbst im Menschen erhöht." Wat is goed? - Alles wat het gevoel van macht, de wil tot macht, de macht zelf in de mens verhoogt. Opnieuw wordt deze passage vaak gelezen als een verheerlijking van dominantie, maar Nietzsche spreekt hier niet over macht over anderen, maar over macht als zelfoverwinning, als groei, als intensivering van het leven. Het 'goede' is niet wat ons conformeert aan externe normen, maar wat ons in staat stelt om onszelf te overstijgen, om nieuwe vormen van leven te creëren.
Maar deze zelfoverstijging neemt in de menselijke wereld een bijzondere vorm aan: zij externaliseert zich in instituties, in technologieën, in systemen die een eigen logica ontwikkelen. De wil tot macht manifesteert zich niet slechts in de directe uitoefening van kracht, maar in de creatie van structuren die macht bestendigen, kanaliseren, vermenigvuldigen. Hier ontstaat wat Michel Foucault zou identificeren als de productieve dimensie van macht: macht produceert werkelijkheid, kennis, waarheid - zij is niet louter repressief, maar constitutief voor onze sociale en epistemologische orde. "We moeten ophouden," schrijft Foucault in 'Surveiller et Punir', "om macht altijd in negatieve termen te beschrijven: zij sluit uit, zij onderdrukt, zij censureert, zij abstraheert, zij maskeert, zij verbergt. In feite produceert macht; zij produceert werkelijkheid; zij produceert kennisdomeinen en waarheidsrituelen."
Foucault's analyse van macht als productieve kracht vormt een cruciale wending in ons begrip van technologie. Technologie is niet slechts een instrument dat we gebruiken om vooraf bepaalde doelen te bereiken, maar een medium dat onze doelen, onze verlangens, onze waarnemingen vormt. Het produceert niet slechts objecten, maar subjecten - het vormt niet slechts de wereld, maar ook onszelf. In deze zin is technologie niet neutraal, niet waardevrij, niet onschuldig. Het is een medium van macht dat ons vormt terwijl wij het vormen, dat ons bepaalt terwijl wij het bepalen.
In "Surveiller et Punir" beschrijft Foucault hoe de moderne disciplinaire macht werkt via wat hij het 'panopticon' noemt - een architecturale vorm die gedetineerden voortdurend zichtbaar maakt voor een centrale observator, zonder dat zij weten of ze op een bepaald moment daadwerkelijk geobserveerd worden. Deze architecturale vorm is niet slechts een fysieke structuur, maar een model voor de werking van moderne macht: een macht die werkt via zichtbaarheid, via internalisering van de blik van de ander, via zelfregulering. De gedetineerde in het panopticon wordt zijn eigen bewaker - hij internaliseert de disciplinaire norm en reguleert zijn eigen gedrag in overeenstemming met deze norm.
Op vergelijkbare wijze functioneren moderne technologische systemen als panoptische structuren die ons gedrag vormen via zichtbaarheid, via feedback, via internalisering van normen. De smartphone die onze bewegingen registreert, de sociale media die onze interacties kwantificeren, de algoritmen die onze voorkeuren voorspellen - ze zijn niet slechts instrumenten die we gebruiken, maar structuren die ons vormen, die ons maken tot specifieke soorten subjecten met specifieke verlangens, angsten, en handelingspatronen.
Deze metafysica, die volgens Heidegger culmineert in wat hij de 'voltooiing van de metafysica' noemt in het werk van Nietzsche, vormt de onderliggende structuur van onze technologische conditie. Technologie is niet slechts een verzameling instrumenten, maar de manifestatie van een specifieke zijnsverhouding - een manier waarop de werkelijkheid zich aan ons toont en wij ons tot de werkelijkheid verhouden. In zijn essay "Die Frage nach der Technik" onthult Heidegger hoe de moderne techniek de wereld 'bestelt' als een bestand van grondstoffen, als een reservoir van potentiële energie en materiaal dat wacht op ontsluiting en benutting. Deze 'bestellende ontberging' is niet slechts een praktische houding, maar een ontologische conditie die voorafgaat aan alle concrete technologische toepassingen. Het is een manier van zijn-in-de-wereld die de moderne mens kenmerkt en die zijn verhouding tot alles wat is fundamenteel bepaalt.
Heidegger illustreert dit met het voorbeeld van een moderne waterkrachtcentrale aan de Rijn. Waar een oude houten brug de rivier laat zijn wat zij is, transformeert de waterkrachtcentrale de rivier in een energieleverancier, in een 'bestand' dat wacht op ontsluiting. De rivier wordt niet langer ervaren als een natuurlijk fenomeen met eigen ritmes en kwaliteiten, maar als een hulpbron, als een potentiële energiebron. Deze transformatie is niet slechts een praktische verandering, maar een ontologische: de rivier verschijnt op een fundamenteel andere wijze, wordt op een fundamenteel andere wijze onthuld.
Op vergelijkbare wijze transformeert moderne technologie onze verhouding tot de natuur, tot elkaar, tot onszelf. De wereld verschijnt niet langer als een gegeven dat we bewonen, maar als een bestand dat we beheren, als een hulpbron die we exploiteren, als een systeem dat we optimaliseren. Deze transformatie is niet slechts een praktische verandering, maar een ontologische: het verandert de wijze waarop de werkelijkheid zich aan ons toont en wij ons tot de werkelijkheid verhouden.
Deze spanning werd door Heidegger gearticuleerd als het verschil tussen het 'geworpen-zijn' - Geworfenheit - in een wereld die ons voorafgaat, en het 'ontwerp' - Entwurf - waarmee wij onze mogelijkheden projecteren. Deze twee fundamentele existentiële structuren vormen de kern van Heidegger's analyse van het menselijk bestaan (Dasein) in zijn hoofdwerk "Sein und Zeit" (1927).
Met 'geworpen-zijn' bedoelt Heidegger dat wij onszelf altijd al aantreffen in een wereld die niet van onze makelij is: we worden geboren in een specifieke historische periode, in een bepaalde cultuur, met een bepaalde taal, binnen bestaande technologische en sociale structuren. Deze facticiteit is niet iets dat we kunnen kiezen of overstijgen; ze vormt de onvermijdelijke achtergrond van ons bestaan. Wij zijn altijd al onderweg, altijd al verwikkeld in een wereld van betekenissen, praktijken en mogelijkheden die we niet zelf hebben gecreëerd.
In "Sein und Zeit" schrijft Heidegger: "Das Dasein ist seine Erschlossenheit." Het Dasein is zijn openheid. Deze openheid is niet een eigenschap van het Dasein, maar zijn wezen: het Dasein is fundamenteel gekenmerkt door zijn openheid voor de wereld, door zijn vermogen om de wereld te laten verschijnen, om de wereld te ontsluiten. Maar deze ontsluiting is altijd al gestructureerd door de facticiteit van het Dasein, door zijn geworpen-zijn in een specifieke historische en culturele context.
Geworfenheit is niet slechts een toevallige omstandigheid, maar een ontologische structuur van het menselijk bestaan. Het drukt uit dat wij fundamenteel eindig en gesitueerd zijn, dat wij nooit een absoluut beginpunt kunnen innemen. Deze geworpenheid manifesteert zich in wat Heidegger de 'stemming' (Stimmung) noemt: de fundamentele gemoedstoestand die onze verhouding tot de wereld kleurt. In de angst, bijvoorbeeld, ervaren we onze geworpenheid in haar naakte vorm: we worden geconfronteerd met de contingentie van ons bestaan, met het feit dat we er zijn zonder ultieme grond of rechtvaardiging. Deze ervaring van grondeloosheid is niet een psychologische toestand, maar een ontologische openbaring - een moment waarop de fundamentele structuur van ons bestaan zich aan ons toont.
In "Was ist Metaphysik?" beschrijft Heidegger hoe de angst ons confronteert met het Nichts, met het niets dat aan de basis ligt van ons bestaan. In de angst verdwijnt de vertrouwdheid van de wereld, de vanzelfsprekendheid van de dingen. We ervaren de fundamentele contingentie van ons bestaan, het feit dat we er zijn zonder noodzaak, zonder grond. Maar juist in deze ervaring van grondeloosheid ligt de mogelijkheid van vrijheid, van authenticiteit: de erkenning dat we niet gedetermineerd zijn door een vooraf gegeven essentie, maar dat we onszelf moeten vormgeven in de ruimte van mogelijkheden die ons gegeven is.
Tegelijkertijd zijn wij niet slechts passief overgeleverd aan onze geworpenheid. Als Dasein zijn wij ook altijd al vooruit op onszelf, altijd al bezig met het ontwerpen van mogelijkheden. Dit is wat Heidegger 'ontwerp' (Entwurf) noemt. Entwurf is niet primair een bewust plan of voornemen, maar de existentiële structuur waardoor wij altijd al betrokken zijn op mogelijkheden. Wij verstaan onszelf en de dingen om ons heen vanuit deze mogelijkheden. Een hamer, bijvoorbeeld, begrijpen we niet primair als een object met bepaalde fysieke eigenschappen, maar als iets om mee te hameren, als een mogelijkheid tot handelen. Zo projecteren wij voortdurend een horizon van mogelijkheden waarin dingen en onszelf betekenis krijgen. Deze projectie is niet een vrijblijvende fantasie, maar een fundamentele manier van in-de-wereld-zijn die ons bestaan als Dasein kenmerkt.
In "Sein und Zeit" schrijft Heidegger: "Das Verstehen ist, als Entwerfen, die Seinsart des Daseins, in der es seine Möglichkeiten als Möglichkeiten ist." Het verstaan is, als ontwerpen, de zijnswijze van het Dasein waarin het zijn mogelijkheden als mogelijkheden is. Het Dasein is niet slechts wat het feitelijk is, maar ook wat het kan zijn - het is zijn mogelijkheden. Deze mogelijkheden zijn niet externe opties die we kunnen kiezen of negeren, maar constitueren wie we zijn. We zijn onze mogelijkheden - niet als abstracte potentialiteiten, maar als concrete wijzen van in-de-wereld-zijn.
De dialectische spanning tussen Geworfenheit en Entwurf is constitutief voor het menselijk bestaan. Wij zijn tegelijk bepaald door een verleden dat we niet hebben gekozen, en gericht op een toekomst die we vormgeven. We zijn zowel passief als actief, zowel beperkt als vrij. Deze spanning is niet op te heffen; ze is de dynamische structuur van ons in-de-wereld-zijn. Heidegger gebruikt hiervoor de term 'zorg' (Sorge): het menselijk bestaan is fundamenteel gekenmerkt door deze betrokkenheid op zichzelf en de wereld, door deze spanning tussen wat we zijn en wat we kunnen worden. Zorg is niet een psychologische toestand, maar een ontologische structuur die voorafgaat aan alle concrete zorgen en bekommernissen.
In "Sein und Zeit" schrijft Heidegger: "Das Sein des Daseins besagt: Sich-vorweg-schon-sein-in-(der-Welt-) als Sein-bei (innerweltlich begegnendem Seienden)." Het zijn van het Dasein betekent: zich-vooruit-reeds-zijn-in-(de-wereld-) als zijn-bij (binnenwereldlijk tegemoet komend zijnde). Deze complexe formulering drukt de drievoudige structuur van de zorg uit: het Dasein is altijd al vooruit op zichzelf (Sich-vorweg), altijd al in de wereld (schon-sein-in-der-Welt), en altijd al bij de dingen (Sein-bei). Deze drievoudige structuur correspondeert met de temporele dimensies van toekomst, verleden en heden: het Dasein is gericht op de toekomst via zijn ontwerp, bepaald door het verleden via zijn geworpenheid, en betrokken op het heden via zijn zijn-bij de dingen.
In de context van technologie krijgt deze dialectiek een bijzondere urgentie. Technologie is enerzijds een manifestatie van ons ontwerp, van onze projectie van mogelijkheden. Via techniek geven we vorm aan onze wereld, breiden we onze handelingsmogelijkheden uit, transformeren we onze omgeving. Maar technologie wordt anderzijds ook deel van onze geworpenheid: de technologische systemen die vorige generaties hebben gecreëerd, vormen de achtergrond waarbinnen wij onszelf aantreffen. Wij worden 'geworpen' in een wereld die reeds technologisch is gestructureerd, die onze mogelijkheden zowel opent als beperkt. De smartphone, het internet, algoritmen - ze zijn niet slechts instrumenten die we gebruiken, maar structuren die onze ervaringswereld vormgeven nog voordat we bewuste keuzes maken. Ze zijn deel van wat Heidegger de 'voorstructuur van het verstaan' noemt: de achtergrond waartegen alle expliciete interpretatie en alle bewuste keuze plaatsvindt.
Hier manifesteert zich opnieuw de ambivalentie van Hephaistos: zijn wonderbaarlijke creaties zijn zowel uitdrukking van menselijke vormgevingskracht (Entwurf) als structuren die ons beperken en bepalen (Geworfenheit). De technologische systemen die wij ontwerpen om onze handelingsmogelijkheden te vergroten, worden zelf deel van de factische wereld waarin toekomstige generaties zich geworpen vinden. Wat begint als expressie van vrijheid, eindigt als conditie van bepaaldheid. Deze dialectiek van macht en vervreemding, van zelfverheffing en zelfonderwerping, is niet toevallig of vermijdbaar, maar inherent aan onze technologische conditie. Ze is de existentiële spanning die Heidegger blootlegt in zijn analyse van Geworfenheit en Entwurf, nu geprojecteerd op het domein van technologie als vormgevende kracht.
In de mythe van Hephaistos vinden we een treffende illustratie van deze dialectiek. Hephaistos, de meester-ambachtsman, schept wonderbaarlijke objecten die zijn macht vergroten - de bliksemschichten van Zeus, de drietand van Poseidon, de wapenrusting van Achilles. Maar zijn meest ingenieuze creatie is misschien wel het onzichtbare net waarmee hij zijn vrouw Aphrodite en haar minnaar Ares vangt. Dit net, zo fijn geweven dat het onzichtbaar is maar zo sterk dat zelfs de oorlogsgod het niet kan verbreken, is een symbool van technologische virtuositeit. Maar het is ook een symbool van Hephaistos' eigen gevangenschap: hij kan zijn vrouw niet behouden door liefde of kracht, maar slechts door list en techniek. Zijn technologische meesterschap compenseert zijn fysieke en emotionele tekortkomingen, maar transformeert deze niet volledig. Hij blijft de kreupele, de bedrogene, de buitenstaander - ondanks, of misschien juist vanwege, zijn technologische virtuositeit.
Hannah Arendt, Heideggers leerlinge en later criticus, biedt ons een complementair perspectief op deze transformatie van wil tot macht. In haar werk "The Human Condition" onderscheidt zij macht (power) van geweld (violence) en kracht (strength). Macht is voor haar fundamenteel relationeel en collectief: "Power corresponds to the human ability not just to act but to act in concert." Macht ontstaat wanneer mensen samenkomen en gezamenlijk handelen. Ze is niet het bezit van een individu, maar een kwaliteit van een gemeenschap. Deze conceptualisering van macht als collectieve actie werpt een ander licht op de technologische conditie: technologie is niet slechts een instrument van individuele wil, maar een medium voor collectieve machtsvorming - een arena waarin gemeenschappelijke handelingspatronen worden geïnstitutionaliseerd en bestendigd.
In "The Human Condition" onderscheidt Arendt drie fundamentele menselijke activiteiten: arbeid (labor), werk (work), en handelen (action). Arbeid is gericht op het onderhoud van het biologische leven, werk op de creatie van een duurzame wereld van objecten, en handelen op de creatie van nieuwe beginpunten in de geschiedenis. Technologie behoort primair tot het domein van werk: het creëert duurzame objecten die de menselijke wereld vormgeven. Maar in de moderne tijd, zo betoogt Arendt, heeft technologie zich losgemaakt van haar oorspronkelijke inbedding in werk en is ze een autonome kracht geworden die zowel arbeid als handelen transformeert. Arbeid wordt geautomatiseerd, handelen wordt geïnstrumentaliseerd. Het resultaat is een wereld waarin de mens steeds meer vervreemd raakt van zijn eigen scheppingen, waarin technologie niet langer een medium is voor menselijke expressie en vrijheid, maar een systeem dat menselijke activiteit kanaliseert en beperkt.
Arendts onderscheid tussen macht en geweld is hier cruciaal. Waar geweld instrumenteel is en gericht op het afdwingen van gehoorzaamheid, is macht communicatief en gericht op het creëren van gemeenschappelijke handelingsruimte. Technologie kan beide vormen aannemen: ze kan functioneren als instrument van geweld, als middel om controle af te dwingen, maar ook als medium van macht, als infrastructuur voor collectieve actie en deliberatie. In de spanning tussen deze twee mogelijkheden ligt een van de centrale politieke uitdagingen van onze technologische conditie.
In "The Origins of Totalitarianism" analyseert Arendt hoe moderne totalitaire regimes technologie gebruiken als instrument van terreur en controle. De concentratiekampen, de bureaucratische administratie van de dood, de propaganda-apparaten - ze zijn allemaal manifestaties van een technologische rationaliteit die is losgemaakt van ethische en politieke overwegingen. Maar in "The Human Condition" wijst ze ook op de mogelijkheid van een andere verhouding tot technologie: een verhouding waarin technologie niet wordt gebruikt om menselijke vrijheid te onderdrukken, maar om deze te vergroten, om nieuwe vormen van gemeenschappelijk handelen mogelijk te maken.
In deze tweede beweging - de transformatie van wil tot macht - zien we hoe de individuele vormgevingsdrang zich externaliseert in collectieve structuren, in instituties, in technologische systemen die een eigen logica ontwikkelen. De wil, eenmaal geobjectiveerd in deze structuren, keert terug als macht die zowel bevrijdt als beheerst. Zij opent nieuwe mogelijkheden voor menselijk handelen, maar kanaliseert dit handelen tegelijkertijd in specifieke banen. Zij vergroot onze collectieve capaciteit tot wereldvorming, maar beperkt de vormen die deze wereldvorming kan aannemen. In deze dialectiek van bevrijding en beheersing ligt de kern van wat Foucault de 'gouvernementalité' noemt: de specifieke rationaliteit van moderne machtsuitoefening die niet primair werkt door repressie, maar door de productie van subjectiviteit, door de vorming van het zelf.
In "Sécurité, Territoire, Population" beschrijft Foucault hoe moderne macht niet primair werkt via soevereiniteit (het recht om te doden of te laten leven) of discipline (het normaliseren van lichamen en gedrag), maar via wat hij 'gouvernementalité' noemt: een vorm van machtsuitoefening die werkt via de vormgeving van het milieu waarin subjecten handelen. Deze gouvernementalité is niet gericht op het onderdrukken van vrijheid, maar op het produceren van specifieke vormen van vrijheid, op het kanaliseren van vrijheid in specifieke richtingen. Ze werkt niet via verbod of gebod, maar via suggestie, via standaardinstelling, via ontwerp. Ze zegt niet "je moet", maar "je kunt" - en definieert vervolgens het veld van mogelijkheden waarbinnen dit "kunnen" zich kan manifesteren.
Deze tweede beweging vormt een cruciale schakel in onze drieledige machtsinterpretatie. Zij toont hoe de oorspronkelijke wil tot vormgeving zich transformeert tot geïnstitutionaliseerde macht, tot collectieve structuren die zowel bevrijdend als beperkend werken. Maar deze transformatie is nog niet het eindpunt van onze analyse. Want in de verdere ontwikkeling van technologische systemen manifesteert zich een derde, nog complexere beweging: de autonomisering van systemen, waarin de door mensen gecreëerde structuren een eigen dynamiek ontwikkelen die zich aan menselijke controle onttrekt. Het is deze derde beweging die ons confronteert met de meest fundamentele vragen over onze technologische conditie, over de grenzen van menselijke agency, en over de dialectiek van macht en vervreemding in het digitale tijdperk.
III. De Autonomisering van Systemen: De Derde Beweging
In de derde en meest complexe beweging van onze machtsinterpretatie bereiken we het punt waarop technologische systemen een mate van autonomie verwerven die de oorspronkelijke intenties van hun scheppers overstijgt. Hier manifesteert zich een paradoxale omkering: de mens, die technologie creëerde als extensie van zijn wil, wordt zelf gevormd en bepaald door zijn eigen creaties. De schepper wordt onderworpen aan het geschapene, de vormgever aan de vorm. Deze beweging van technologische verzelfstandiging confronteert ons met de meest fundamentele vragen over menselijke agency, over de grenzen van controle, en over de dialectiek van macht en vervreemding in het digitale tijdperk.
Deze derde beweging is niet een recente ontwikkeling, geen plotselinge wending in de geschiedenis van de techniek. Ze is inherent aan de technologische conditie zelf, aan de wijze waarop techniek zich verhoudt tot de mens. Reeds in de vroegste mythen en verhalen vinden we sporen van deze ambivalentie. De Golem in de Joodse traditie, een kunstmatig wezen geschapen uit klei en tot leven gewekt door heilige woorden, keert zich uiteindelijk tegen zijn schepper. De bezems in Goethe's "Der Zauberlehrling", die door de tovenaarsleerling tot leven worden gewekt om water te halen maar vervolgens niet meer te stoppen zijn, illustreren de angst voor technologische processen die aan menselijke controle ontsnappen. En in Mary Shelley's "Frankenstein" schept Victor Frankenstein een wezen dat hij vervolgens verstoot, dat hem achtervolgt en uiteindelijk zijn ondergang bewerkstelligt - een verhaal dat vaak wordt gelezen als een allegorie voor de moderne technologische conditie.
De mythe van Hephaistos bereikt hier zijn volle betekenis. De kreupele god, die wonderbaarlijke automata schiep om zijn eigen gebrekkigheid te compenseren, wordt zelf afhankelijk van zijn creaties. Zijn gouden dienaressen, die hem ondersteunen in zijn werk, belichamen zowel zijn macht als zijn kwetsbaarheid. Ze zijn extensies van zijn wil, maar tegelijk manifestaties van zijn afhankelijkheid. In de Ilias beschrijft Homerus hoe Hephaistos, wanneer hij bezoek ontvangt van Thetis, eerst zijn werktuigen opbergt en het zweet van zijn gezicht veegt, en vervolgens door zijn gouden dienaressen wordt ondersteund terwijl hij naar zijn gast strompelt. Deze scène illustreert treffend de ambivalentie van technologische macht: Hephaistos' creaties vergroten zijn capaciteiten, maar benadrukken tegelijk zijn afhankelijkheid, zijn onvermogen om zonder hulp te functioneren.
In deze ambivalentie ligt de kern van onze technologische conditie: wij scheppen systemen die onze macht vergroten, maar worden tegelijk afhankelijk van deze systemen. Wat begint als compensatie voor menselijke beperkingen, eindigt als een nieuwe vorm van beperking -- een dialectiek die zich in het digitale tijdperk met ongekende intensiteit manifesteert. De smartphone die ons verbindt met de wereld, maakt ons tegelijk afhankelijk van constante connectiviteit. De algoritmen die onze informatiestroom filteren, maken ons tegelijk afhankelijk van hun selectiecriteria. De platforms die onze sociale interacties faciliteren, maken ons tegelijk afhankelijk van hun infrastructuur. In deze dialectiek van empowerment en afhankelijkheid ligt de tragiek van onze technologische conditie.
De filosoof Gilbert Simondon, wiens werk pas recent de aandacht krijgt die het verdient, biedt ons een diepgaand inzicht in deze verzelfstandiging van technische objecten. In zijn hoofdwerk "Du Mode d'Existence des Objets Techniques" (1958) beschrijft hij hoe technische objecten een eigen evolutionaire logica ontwikkelen, een proces dat hij 'concretisering' noemt. Technische objecten evolueren van abstracte, gefragmenteerde assemblages naar concrete, geïntegreerde systemen met een interne coherentie die niet langer volledig herleidbaar is tot menselijke intenties. Deze concretisering is geen toevallig proces, maar volgt een immanente logica die Simondon vergelijkt met biologische evolutie -- niet als metafoor, maar als een parallelle ontologische dynamiek.
Simondon illustreert dit proces met het voorbeeld van de evolutie van de verbrandingsmotor. De vroege verbrandingsmotoren waren 'abstracte' objecten: elk onderdeel vervulde een specifieke, geïsoleerde functie, en de integratie van deze functies was extern en artificieel. Maar naarmate de motor evolueert, worden de onderdelen steeds meer multifunctioneel en geïntegreerd: de cilinderkop dient niet alleen om de cilinder af te sluiten, maar ook om warmte af te voeren; de koelribben zijn niet slechts toevoegingen aan de cilinder, maar worden geïntegreerd in de structuur van de motor. Deze evolutie naar steeds grotere integratie en multifunctionaliteit is wat Simondon 'concretisering' noemt: het technische object wordt steeds meer een coherent, zelf-regulerend systeem met een eigen interne logica.
Voor Simondon is technologie geen vreemde kracht die van buitenaf op de menselijke cultuur inwerkt, maar een domein met een eigen consistentie, een eigen wordingsproces dat co-evolueert met menselijke praktijken en instituties. De technische evolutie volgt niet simpelweg menselijke intenties, maar ontwikkelt zich volgens principes van interne optimalisatie en functionele integratie. Wat begint als een extern instrument, wordt een semi-autonoom systeem met een eigen operationele logica. Deze visie doorbreekt het instrumentalistische paradigma dat technologie reduceert tot een neutraal middel voor menselijke doeleinden, en erkent de eigenstandige dynamiek van technische objecten.
In "Du Mode d'Existence des Objets Techniques" schrijft Simondon: "L'objet technique est ce qui n'est pas antérieur à son devenir, mais présent à chaque étape de ce devenir; l'objet technique est unité de devenir." Het technische object is niet iets dat voorafgaat aan zijn worden, maar aanwezig is in elke fase van dit worden; het technische object is een eenheid van worden. Deze formulering drukt de fundamentele temporaliteit van het technische object uit: het is niet een statisch ding, maar een proces, een worden. Het technische object is niet volledig bepaald door zijn oorspronkelijke ontwerp of functie, maar ontwikkelt zich volgens een eigen logica die niet volledig te herleiden is tot menselijke intenties.
Simondon pleit voor wat hij een 'mechanologie' noemt: een nieuwe vorm van kennis die technische objecten niet reduceert tot hun functionaliteit of hun economische waarde, maar die hun eigen wordingslogica erkent en begrijpt. Deze mechanologie zou een brug moeten slaan tussen technische en humanistische cultuur, tussen de wereld van ingenieurs en de wereld van filosofen. Ze zou ons in staat moeten stellen om technologie niet langer te zien als een vreemde, bedreigende kracht, maar als een domein van menselijke creativiteit en expressie dat zijn eigen dynamiek ontwikkelt -- een dynamiek die we moeten leren begrijpen en cultiveren, niet beheersen of onderdrukken.
In "Du Mode d'Existence des Objets Techniques" schrijft Simondon: "La culture s'est constituée en système de défense contre les techniques; or, cette défense se présente comme une défense de l'homme, supposant que les objets techniques ne contiennent pas de réalité humaine." De cultuur heeft zich gevormd als een systeem van verdediging tegen technieken; maar deze verdediging presenteert zich als een verdediging van de mens, veronderstellend dat technische objecten geen menselijke realiteit bevatten. Deze oppositie tussen cultuur en techniek, tussen het menselijke en het technische, is volgens Simondon gebaseerd op een fundamenteel misverstand: technische objecten zijn niet vreemd aan het menselijke, maar belichamen juist menselijke creativiteit, intelligentie, en expressie. Ze zijn niet louter instrumenten, maar kristallisaties van menselijke intenties en praktijken.
Bernard Stiegler, voortbouwend op zowel Simondon als Heidegger, radicaliseert deze analyse door te spreken van een fundamentele 'technogenese' die co-constitutief is met de antropogenese. In zijn trilogie "La Technique et le Temps" ontwikkelt hij het concept van de 'epifylogenetische' evolutie: naast de genetische (biologische) en epigenetische (culturele) evolutie bestaat er een derde evolutionaire stroom die verloopt via de externalisering van het menselijk geheugen in technische objecten. Deze technische externalisering is niet secundair aan de menselijke evolutie, maar constitutief ervoor. De mens wordt mens door zijn technieken, door zijn vermogen tot externalisering en tot het creëren van wat Stiegler 'tertiaire retenties' noemt -- externe geheugendragers die onze ervaring van tijd en ruimte fundamenteel herstructureren.
In "La Technique et le Temps" beschrijft Stiegler hoe de mens zich onderscheidt van andere dieren door zijn vermogen tot 'epifylogenetische' evolutie: de overdracht van ervaring en kennis via externe geheugendragers. Waar dieren primair evolueren via genetische mutatie en selectie, en secundair via epigenetische processen (leren binnen een individueel leven), evolueert de mens ook via de accumulatie van kennis en ervaring in externe geheugendragers: van rotstekeningen tot schrift, van boeken tot digitale databases. Deze externe geheugendragers zijn niet slechts hulpmiddelen voor het menselijk geheugen, maar constitueren het menselijk geheugen zelf: ze maken vormen van herinnering en anticipatie mogelijk die zonder deze externalisering ondenkbaar zouden zijn.
Voor Stiegler is technologie niet slechts een instrument dat we gebruiken, maar een constitutief element van onze menselijkheid. Wij zijn altijd al technische wezens, altijd al verwikkeld in een co-evolutie met onze technische systemen. Deze co-evolutie is niet een recente ontwikkeling, maar een constante in de menselijke geschiedenis -- van de eerste stenen werktuigen tot de meest geavanceerde digitale technologieën. Wat verandert, is niet het feit van deze co-evolutie, maar haar tempo en intensiteit. In het digitale tijdperk versnelt deze co-evolutie tot een punt waarop ze onze bewuste reflectie en deliberatie dreigt te overstijgen -- een ontwikkeling die Stiegler met zorg beziet, maar niet als een reden voor technofobe afwijzing.
In "La Technique et le Temps" schrijft Stiegler: "La technique est la poursuite de la vie par d'autres moyens que la vie." Techniek is de voortzetting van het leven met andere middelen dan het leven. Deze formulering, die resoneert met Clausewitz's beroemde uitspraak over oorlog als voortzetting van politiek met andere middelen, drukt de fundamentele continuïteit uit tussen leven en techniek: techniek is niet iets dat buiten het leven staat, maar een voortzetting en transformatie van levensprocessen. Tegelijkertijd benadrukt het de discontinuïteit: techniek opereert volgens principes die niet volledig te herleiden zijn tot biologische processen. In deze spanning tussen continuïteit en discontinuïteit ligt de kern van Stiegler's denken over techniek.
Deze co-evolutie van mens en techniek neemt in het digitale tijdperk een nieuwe, intensievere vorm aan. Waar eerdere technologieën primair fysieke capaciteiten externaliseerden, externaliseert digitale technologie cognitieve en affectieve processen. Algoritmen nemen beslissingen, sociale media structureren onze sociale relaties, zoekmachines filteren onze toegang tot informatie. Deze externalisering van cognitieve functies creëert wat Katherine Hayles heeft genoemd een 'technogenese van aandacht': onze cognitieve capaciteiten co-evolueren met de technologische systemen die we gebruiken, in een proces dat zowel bevrijdend als beperkend kan zijn.
In "How We Think: Digital Media and Contemporary Technogenesis" beschrijft Hayles hoe onze cognitieve capaciteiten worden gevormd door de technologische systemen die we gebruiken. Onze aandachtsstructuren, onze manieren van lezen en schrijven, onze patronen van informatieverwerking - ze worden allemaal beïnvloed door de digitale media die we dagelijks gebruiken. Deze invloed is niet eenzijdig: we passen ons aan aan de technologische systemen, maar we passen ook de systemen aan aan onze behoeften en capaciteiten. Het resultaat is een co-evolutie waarin mens en technologie elkaar wederzijds vormen.
Hayles' concept van 'technogenese' verwijst naar de co-evolutie van menselijke cognitie en technologische systemen. Onze aandachtsstructuren, onze manieren van denken en waarnemen, evolueren samen met de technologische interfaces die we gebruiken. Deze co-evolutie is niet nieuw -- de uitvinding van het schrift, bijvoorbeeld, transformeerde reeds fundamenteel hoe mensen denken en herinneren -- maar ze intensiveert zich in het digitale tijdperk. De snelheid en omvang van deze co-evolutie roept fundamentele vragen op over menselijke autonomie en agency, over de grenzen van bewuste controle, en over de toekomst van wat we 'menselijk' noemen.
In "How We Think" schrijft Hayles: "As digital media become more pervasive, they push us in the direction of faster communication, more intense and varied information streams, more integration of humans and intelligent machines, and more interactions of language with code. These changes have significant neurological consequences, many of which are now becoming evident in young people and to a lesser degree in almost all who interact with digital media on a regular basis." Deze neurologische consequenties zijn niet simpelweg positief of negatief, maar ambivalent: ze creëren nieuwe mogelijkheden voor denken en communicatie, maar ook nieuwe vormen van kwetsbaarheid en afhankelijkheid.
In deze derde beweging manifesteert zich wat Giorgio Agamben het 'dispositief' noemt -- een heterogeen ensemble van discoursen, instituties, architecturale vormen, regulerende beslissingen, wetten, administratieve maatregelen, wetenschappelijke uitspraken, filosofische proposities, moraliteit en filantropie. Het dispositief is geen neutraal instrument, maar een machtsstructuur die subjecten produceert door processen van subjectivering en desubjectivering. In zijn essay "Wat is een dispositief?" beschrijft Agamben hoe moderne technologie functioneert als een alomvattend dispositief dat onze subjectiviteit vormt en hervormt, dat ons zowel bevrijdt als gevangen zet in nieuwe vormen van controle.
Agamben's concept van het dispositief bouwt voort op Foucault's analyse van macht als productieve kracht. Maar waar Foucault primair geïnteresseerd was in de wijze waarop dispositieven subjecten produceren, richt Agamben zich op de wijze waarop moderne dispositieven subjecten desubjectiveren - hoe ze ons beroven van onze subjectiviteit, hoe ze ons reduceren tot gebruikers, consumenten, data-punten. In "Wat is een dispositief?" schrijft hij: "Hij die zich laat vangen in het dispositief 'mobiele telefoon', verkrijgt een nieuw subjectnummer en wordt het nummer van een mobiele telefoon." Deze formulering drukt de fundamentele omkering uit die plaatsvindt in moderne technologische dispositieven: we worden niet slechts gebruikers van technologie, maar worden zelf gebruikt door technologie.
Voor Agamben is het dispositief niet slechts een instrument van macht, maar een ontologische categorie die fundamenteel is voor het begrijpen van de menselijke conditie. Het dispositief is wat de mens scheidt van zijn omgeving en tegelijk verbindt met deze omgeving. Het is wat de mens tot mens maakt, maar tegelijk wat hem vervreemdt van zichzelf. In deze ambivalentie ligt de kern van wat Agamben de 'antropologische machine' noemt: het geheel van dispositieven dat de mens produceert als subject, als drager van rechten en plichten, als object van kennis en macht.
In "Het Open. De mens en het dier" beschrijft Agamben hoe de westerse traditie de mens heeft gedefinieerd via een reeks opposities: mens/dier, cultuur/natuur, rede/instinct. Deze opposities functioneren als dispositieven die de mens scheiden van zijn dierlijkheid, die hem constitueren als een wezen dat zijn eigen natuur moet overstijgen. Maar deze scheiding is nooit volledig: de mens blijft een dier, blijft deel van de natuur, blijft gedreven door instincten en driften. De antropologische machine produceert de mens als een wezen dat voortdurend zijn eigen dierlijkheid moet overwinnen, maar deze overwinning is nooit definitief. In deze spanning tussen menselijkheid en dierlijkheid, tussen cultuur en natuur, ligt de kern van de menselijke conditie.
Het dispositief werkt niet primair door repressie of ideologie, maar door productie: het produceert werkelijkheid, waarheid, subjectiviteit. Het is niet een instrument dat we gebruiken, maar een structuur die ons gebruikt, die ons vormt tot specifieke soorten subjecten met specifieke verlangens, angsten, en handelingsmogelijkheden. In de digitale wereld nemen deze dispositieven een nieuwe, intensievere vorm aan: algoritmen die onze informatiestroom filteren, platforms die onze sociale interacties structureren, interfaces die onze aandacht sturen. Ze zijn niet slechts instrumenten die we naar believen kunnen oppakken of neerleggen, maar alomvattende structuren die onze ervaringswereld constitueren.
In "Wat is een dispositief?" schrijft Agamben: "Ik noem dispositief letterlijk alles wat op de een of andere manier het vermogen bezit om het gedrag, de meningen of de uitspraken van levende wezens te vangen, te oriënteren, te bepalen, te onderscheppen, te modelleren, te controleren of te verzekeren." Deze definitie is bewust breed: een dispositief kan een technologisch apparaat zijn, maar ook een institutie, een discours, een praktijk. Wat deze heterogene elementen verbindt, is hun vermogen om subjecten te produceren, om gedrag te vormen, om werkelijkheid te constitueren.
In deze derde beweging bereikt de dialectiek van macht en vervreemding haar culminatiepunt. De technologische systemen die wij creëren om onze macht te vergroten, ontwikkelen een eigen dynamiek die zich aan onze controle onttrekt. Wat begint als extensie van menselijke wil, eindigt als autonome kracht die de mens zelf vormt en bepaalt. Deze dialectiek is niet een toevallige ontwikkeling, maar inherent aan de logica van technologische evolutie zelf -- een logica die Simondon, Stiegler, Hayles en Agamben elk op hun eigen manier hebben proberen te doorgronden.
IV. De Tweede Macht: Technologie als Infrastructuur
In deze derde beweging van technologische verzelfstandiging manifesteert zich wat we kunnen aanduiden als de 'Tweede Macht': een vorm van macht die niet langer primair werkt via wetten, bevelen of directe dwang, maar via de vormgeving van infrastructuren, interfaces en algoritmen. Deze Tweede Macht is niet geconcentreerd in een specifieke institutie of persoon, maar gedistribueerd in de technologische systemen die ons dagelijks leven structureren. Ze is niet zichtbaar als macht, maar verschijnt als dienst, als gemak, als vanzelfsprekendheid. En juist in deze onzichtbaarheid ligt haar kracht.
De term 'Tweede Macht' verwijst naar een fundamentele transformatie in de wijze waarop macht wordt uitgeoefend in moderne samenlevingen. De Eerste Macht, die van soevereiniteit en wet, werkt via expliciete regels, verboden en geboden. Ze is zichtbaar, centraal, en werkt primair via repressie: ze verbiedt, bestraft, sluit op. De Tweede Macht daarentegen werkt via impliciete normen, standaardinstellingen, architecturale vormgeving. Ze is onzichtbaar, gedistribueerd, en werkt primair via productie: ze creëert mogelijkheden, kanaliseert gedrag, vormt subjectiviteit.
De Tweede Macht opereert niet via verbod of gebod, maar via suggestie, via standaardinstelling, via ontwerp. Ze zegt niet "je moet", maar "je kunt" -- en definieert vervolgens het veld van mogelijkheden waarbinnen dit "kunnen" zich kan manifesteren. Ze beperkt niet zozeer onze vrijheid, maar vormt de ruimte waarin vrijheid zich kan uitdrukken. Ze censureert niet, maar filtert; ze verbiedt niet, maar rangschikt; ze dwingt niet, maar nudget. In deze subtiele vormgeving van handelingsruimte ligt de essentie van wat Foucault 'gouvernementalité' noemt: een vorm van machtsuitoefening die niet primair werkt via soevereiniteit of discipline, maar via de vormgeving van het milieu waarin subjecten handelen.
In "Sécurité, Territoire, Population" beschrijft Foucault hoe deze nieuwe vorm van machtsuitoefening zich manifesteert in de moderne biopolitiek: niet via directe interventie in lichamen of gedrag, maar via de regulering van populaties, via de vormgeving van milieus, via de modulatie van risico's en kansen. Deze biopolitiek werkt niet via de wet, maar via de norm; niet via straf, maar via correctie; niet via uitsluiting, maar via inclusie en differentiatie. Ze is niet gericht op het onderdrukken van leven, maar op het optimaliseren van leven, op het maximaliseren van productiviteit en vitaliteit.
Deze Tweede Macht is niet zomaar opgekomen. Ze is geen autonoom proces, geen fataliteit. Achter de zwijgende protocollen van de Tweede Macht schuilt geen sinister plan, maar iets dat fundamenteler is dan strategie of politiek: een projectie van menselijke wil. Niet de wil van één mens, niet van een regering of een algoritmisch consortium, maar de diepere, collectieve wil tot beheersing. Een wil die haar oorsprong heeft in het existentiële verlangen van de mens om zijn wereld niet slechts te bewonen, maar te ordenen, te voorzien, te onderwerpen aan zijn denkvermogen.
In deze beweging herkennen we wat Nietzsche de wil tot macht noemt -- niet als dorst naar dominantie, maar als Grundantrieb, als basale drift van het leven zelf. Alles wat leeft, zo stelt Nietzsche, wil niet slechts behouden blijven, maar vorm geven. De wil tot macht is geen politieke macht in strikte zin, maar een kracht die zich uitdrukt in ordening, in het scheppen van een wereld naar eigen maat.
Het is deze kracht die zich sinds de moderniteit heeft vertaald naar technologie. Machines zijn geen neutrale extensies van menselijk handelen, maar vormen waarin de menselijke wil tot beheersing zich materialiseert. Technologie is de vorm van de wil. Zij draagt de impuls van projectie in zich: van het onvolmaakte naar het voltooide, van het willekeurige naar het systematische.
In die zin is de Tweede Macht niet slechts een onbedoeld resultaat van technische complexiteit, maar een accumulatie van wil: wil tot efficiëntie, tot standaardisatie, tot optimalisatie, tot structuur. Wat begon als creatie, is geëindigd als configuratie.
Deze wil tot macht is, paradoxaal, steeds minder herleidbaar tot wil. Want naarmate de structuren groeien, verdwijnt de menselijke intentionaliteit erin. De systemen nemen het over -- niet als vijandige actoren, maar als functionerende machines. Ze volgen logica's, protocollen, optimalisatiedoelen. En in dat functioneren verdwijnt hun herkomst.
De mens heeft zijn macht dus niet opgegeven, maar geautomatiseerd. Hij heeft haar verplaatst -- van wet naar code, van bevel naar standaard, van soevereiniteit naar infrastructuur. Wat wij nu ervaren als technologische omgeving, is in wezen de gestolde geschiedenis van onze wil tot beheersing.
Maar de tragiek is dat deze wil tot macht zichzelf heeft vergeten. Waar ze ooit verheffing beoogde, produceert ze nu vervreemding. Waar ze controle wilde, ontstaat nu automatisering zonder richting. De wil tot macht heeft zichzelf omgezet in een systeem dat niemand meer aanstuurt, maar dat alles stuurt.
In deze context moet de Tweede Macht worden begrepen: niet als een onverwacht monster, maar als de onbedoelde echo van een eeuwenoude drang. Geen catastrofe, maar een culminatie. De infrastructuur spreekt ons niet tegen, maar vóór. Zij suggereert, begeleidt, vormt -- en doet dat met de stem van onze eigen vroegere verlangens.
Die infrastructuur is intussen uitgegroeid tot een autonome laag. Ze is ontstaan uit Tayloristisch denken, gegroeid via cybernetica, en geïnstitutionaliseerd in digitale platforms. De Tweede Macht opereert als raster: ze maakt selectie mogelijk. Ze definieert welke keuzes beschikbaar zijn, welke paden bewandelbaar lijken, welke alternatieven verdonkeremaand raken.
Hier toont zich haar eigenaardige werking: ze verbiedt niets, maar organiseert alles. Haar macht ligt niet in wat ze ons onthoudt, maar in wat ze ons gewoon maakt. Macht wordt acceptabel zodra zij routine wordt. En zodra een systeem geen weerstand meer oproept, wordt het een vanzelfsprekendheid. Acceptatie gaat vooraf aan overtuiging.
Maar de Tweede Macht gaat verder. Ze wordt niet slechts geaccepteerd, maar ook toegeëigend. We personaliseren onze interfaces, stemmen notificaties af op voorkeuren, ontwerpen eigen dashboards. Deze appropriatie lijkt autonomie, maar voltrekt zich binnen een voorgevormd veld. We eigenden ons toe wat ons reeds had ingericht.
De paradox van deze macht is dan ook: zij werkt het best wanneer ze niet als macht wordt herkend. Wanneer zij verschijnt als dienst, als gemak, als vanzelfsprekendheid. Haar kracht ligt in haar stilte, in haar design, in haar vanzelfsprekende aanwezigheid.
Walter Benjamin merkte in zijn essay "Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit" (1935) op dat architectuur wordt waargenomen "in a state of distraction" -- niet via bewuste contemplatie, maar via gewoontevorming en tactiele toe-eigening. Op vergelijkbare wijze worden digitale interfaces en infrastructuren niet primair intellectueel begrepen, maar lichamelijk geïncorporeerd. Ze worden deel van onze habitus, van onze belichaamde gewoonten en disposities.
In "Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit" schrijft Benjamin: "Bauten werden auf doppelte Art rezipiert: durch Gebrauch und durch Wahrnehmung. Oder besser gesagt: taktil und optisch." Gebouwen worden op twee manieren gerecipieerd: door gebruik en door waarneming. Of beter gezegd: tactiel en optisch. Deze dubbele receptie is kenmerkend voor onze verhouding tot architectuur: we begrijpen gebouwen niet primair via bewuste contemplatie, maar via lichamelijk gebruik, via gewoontevorming, via tactiele toe-eigening. Op vergelijkbare wijze worden digitale interfaces en infrastructuren niet primair intellectueel begrepen, maar lichamelijk geïncorporeerd. Ze worden deel van onze habitus, van onze belichaamde gewoonten en disposities.
Martin Heidegger's analyse van technologie als 'Gestell' (enframing) wijst op een vergelijkbare onzichtbaarheid. In "Die Frage nach der Technik" (1954) beschrijft hij hoe het wezen van de moderne techniek niet zelf technisch is, maar een specifieke wijze van onthullen die alles reduceert tot 'bestand' (Bestand) -- tot hulpbron en grondstof. Dit 'Gestell' is zo alomvattend dat het moeilijk te herkennen is; het vormt de horizon waarbinnen wij de werkelijkheid begrijpen. Hier toont zich opnieuw de figuur van Hephaistos: zijn kreupelheid symboliseert niet alleen de inherente spanning in onze technologische conditie, maar ook onze fundamentele blindheid voor de aard van die conditie. Net als Hephaistos, die ondanks zijn technologische virtuositeit beperkt blijft door zijn eigen lichamelijkheid, zijn wij beperkt in ons vermogen om de technologische systemen die we hebben geschapen te doorgronden en te beheersen.
In "Die Frage nach der Technik" schrijft Heidegger: "Das Wesen der Technik ist nichts Technisches." Het wezen van de techniek is niets technisch. Deze paradoxale formulering drukt de fundamentele blindheid uit die onze verhouding tot technologie kenmerkt: we begrijpen technologie primair in technische termen, als een verzameling instrumenten en processen, en missen daardoor haar ontologische dimensie, haar wijze van onthullen, haar vormgeving van onze zijnsverhouding. Het 'Gestell' is niet zelf een technisch apparaat of proces, maar een wijze van onthullen die alles reduceert tot 'bestand', tot hulpbron en grondstof. Deze reductie is zo alomvattend dat ze moeilijk te herkennen is; ze vormt de horizon waarbinnen wij de werkelijkheid begrijpen.
En precies daarom is zij de macht van onze tijd. Niet omdat zij sterker is dan eerdere machtsvormen, maar omdat zij dieper reikt. Niet omdat zij meer verbiedt, maar omdat zij meer mogelijk maakt -- op haar eigen voorwaarden. Niet omdat zij onderdrukt, maar omdat zij vormt. Deze vormende macht is wat Mark Fisher in "Capitalist Realism: Is There No Alternative?" (2009) beschrijft als het vermogen van het hedendaagse kapitalisme om alternatieven ondenkbaar te maken. "It's easier to imagine the end of the world than the end of capitalism," schrijft hij, doelend op de wijze waarop het huidige systeem niet alleen onze handelingen, maar ook onze verbeelding structureert. De technologische infrastructuur van onze tijd functioneert op vergelijkbare wijze: ze maakt bepaalde levensvormen mogelijk en andere ondenkbaar, ze kanaliseert onze verlangens en verwachtingen in specifieke richtingen.
In "Capitalist Realism" beschrijft Fisher hoe het hedendaagse kapitalisme functioneert als een alomvattend systeem dat niet alleen onze economische relaties structureert, maar ook onze verbeelding, onze verlangens, onze subjectiviteit. Het kapitalisme presenteert zichzelf niet als een ideologie of een politiek systeem, maar als de realiteit zelf, als de natuurlijke orde der dingen. Deze naturalisering maakt het moeilijk om alternatieven te denken of te articuleren. Op vergelijkbare wijze presenteert moderne technologie zich niet als een specifieke vormgeving van de werkelijkheid, maar als de werkelijkheid zelf, als de natuurlijke orde der dingen. Deze naturalisering maakt het moeilijk om alternatieve technologische trajecten te denken of te articuleren.
V. De Dialectiek van Macht en Vervreemding: Een Synthese
De drie bewegingen -- van wil, naar macht, naar systeem -- voltrekken zich niet lineair of historisch, maar simultaan en dialectisch. Ze zijn momenten in een voortdurende circulatie van menselijke zelfverwerkelijking en zelfvervreemding. De wil zoekt macht, macht institutionaliseert zich in systemen, systemen verzelfstandigen zich tot een tweede natuur die nieuwe wilsvormen produceert. In deze circulatie ligt zowel het gevaar als de hoop van onze technologische conditie. Het gevaar van een volledig geautomatiseerde beheersing die geen ruimte meer laat voor het onvoorziene, het afwijkende, het werkelijk nieuwe. En de hoop van een hernieuwde toe-eigening, een bewuste vormgeving van technologische systemen die niet slechts efficiëntie dient, maar menselijke bloei en vrijheid.
Deze dialectiek is geen abstracte filosofische constructie, maar een concrete realiteit die zich manifesteert in onze dagelijkse omgang met technologie. We ervaren haar in de ambivalentie van onze smartphones, die ons zowel verbinden met de wereld als isoleren in digitale cocons. We ervaren haar in de dubbelzinnigheid van sociale media, die zowel gemeenschap faciliteren als atomiseren. We ervaren haar in de paradox van automatisering, die ons zowel bevrijdt van routinewerk als kwetsbaar maakt voor technologische werkloosheid. Deze ambivalenties zijn niet toevallig of vermijdbaar, maar inherent aan de technologische conditie zelf -- aan de wijze waarop technologie functioneert als medium van menselijke zelfverwerkelijking en zelfvervreemding.
De Duitse filosoof Theodor Adorno, een van de scherpste critici van de moderne technologische rationaliteit, beschreef deze dialectiek in termen van de spanning tussen verlichting en mythe. In "Dialektik der Aufklärung", geschreven samen met Max Horkheimer, analyseert hij hoe de verlichting, die begon als een bevrijding van mythisch denken, zelf tot een nieuwe mythe verwordt. De rationele beheersing van de natuur, die de mens moest bevrijden van natuurlijke dwang, slaat om in een nieuwe vorm van dwang: de technologische rationaliteit die alles reduceert tot berekenbaarheid en beheersbaarheid. "De vloek van de onweerstaanbare vooruitgang," schrijven Adorno en Horkheimer, "is de onweerstaanbare regressie."
Deze dialectiek van vooruitgang en regressie manifesteert zich in wat Adorno de "Verdinglichung" noemt: de reïficatie of verdinglijking van menselijke relaties en ervaringen. In een technologisch gemedieerde wereld worden mensen en dingen steeds meer behandeld als objecten, als middelen, als grondstoffen. De kwalitatieve rijkdom van de ervaring wordt gereduceerd tot kwantitatieve parameters, tot data, tot meetbare prestaties. Deze reductie is niet slechts een epistemologische fout, maar een ontologische transformatie: de werkelijkheid zelf verschijnt anders, wordt anders ervaren, wordt anders geleefd.
In "Minima Moralia" schrijft Adorno: "Es gibt kein richtiges Leben im falschen." Er is geen juist leven in het valse. Deze uitspraak drukt de fundamentele spanning uit die onze technologische conditie kenmerkt: we kunnen niet simpelweg 'goed' of 'authentiek' leven binnen een systeem dat fundamenteel vervreemdend is. Maar we kunnen ook niet simpelweg buiten dit systeem treden, ons onttrekken aan de technologische conditie. We zijn gedwongen om te leven in de spanning, in de contradictie, in de dialectiek van bevrijding en beheersing.
In deze dialectiek van macht en vervreemding bereikt de ambivalentie van Hephaistos haar volle betekenis. De kreupele god-ambachtsman, verstoten door zijn moeder Hera vanwege zijn imperfectie, compenseert zijn gebrek door wonderbaarlijke creaties die zijn macht vergroten maar tegelijk zijn afhankelijkheid belichamen. Zijn gouden dienaressen, die hem ondersteunen in zijn werk, zijn zowel extensies van zijn wil als manifestaties van zijn kwetsbaarheid. In deze ambivalentie ligt een diepe wijsheid besloten: de erkenning dat onze technologische macht altijd verbonden is met onze kwetsbaarheid, dat onze zelfverheffing altijd gepaard gaat met zelfvervreemding, dat onze vormgeving van de wereld altijd ook een vormgeving van onszelf impliceert.
De mythe van Hephaistos is rijk aan details die deze ambivalentie illustreren. Zijn werkplaats, diep in de vulkaan Etna, is zowel een plaats van wonderbaarlijke creatie als een plaats van isolement en verbanning. Zijn huwelijk met Aphrodite, de godin van de liefde en schoonheid, is zowel een teken van zijn goddelijke status als een bron van vernedering wanneer zij hem bedriegt met Ares. Zijn meest ingenieuze creatie, het onzichtbare net waarmee hij Aphrodite en Ares vangt, is zowel een demonstratie van zijn technische virtuositeit als een publieke tentoonstelling van zijn vernedering. In al deze aspecten van de mythe zien we de fundamentele ambivalentie van technologische macht: ze vergroot onze capaciteiten, maar maakt ons tegelijk kwetsbaar; ze verbindt ons met anderen, maar isoleert ons tegelijk; ze stelt ons in staat om te scheppen, maar maakt ons tegelijk afhankelijk van onze creaties.
Het is deze wijsheid die we moeten cultiveren in een tijd waarin technologische systemen een ongekende autonomie verwerven. Niet door een nostalgische afwijzing van technologie, noch door een naïeve omarming van elke technologische innovatie, maar door een kritische, reflexieve houding die de ambivalentie van onze technologische conditie erkent en doordenkt. Een houding die technologie niet ziet als een externe kracht die we moeten beheersen of ondergaan, maar als een constitutief element van onze menselijkheid dat we moeten leren begrijpen en cultiveren als de kern van wie we zijn en kunnen worden.
De Franse filosoof Gilbert Simondon, wiens werk we eerder bespraken, pleit voor wat hij een 'technische cultuur' noemt: een cultuur die technologie niet ziet als een vreemde, bedreigende kracht, maar als een domein van menselijke creativiteit en expressie dat zijn eigen dynamiek ontwikkelt. Deze technische cultuur zou een brug moeten slaan tussen technische en humanistische cultuur, tussen de wereld van ingenieurs en de wereld van filosofen. Ze zou ons in staat moeten stellen om technologie niet langer te zien als een instrument dat we gebruiken of een kracht die ons bepaalt, maar als een medium waarin onze menselijkheid zich uitdrukt en transformeert.
In "Du Mode d'Existence des Objets Techniques" schrijft Simondon: "La culture s'est constituée en système de défense contre les techniques; or, cette défense se présente comme une défense de l'homme, supposant que les objets techniques ne contiennent pas de réalité humaine." De cultuur heeft zich gevormd als een systeem van verdediging tegen technieken; maar deze verdediging presenteert zich als een verdediging van de mens, veronderstellend dat technische objecten geen menselijke realiteit bevatten. Deze oppositie tussen cultuur en techniek, tussen het menselijke en het technische, is volgens Simondon gebaseerd op een fundamenteel misverstand: technische objecten zijn niet vreemd aan het menselijke, maar belichamen juist menselijke creativiteit, intelligentie, en expressie. Ze zijn niet louter instrumenten, maar kristallisaties van menselijke intenties en praktijken.
De uitdaging is niet om technologie af te wijzen of te omarmen, maar om haar te doordenken als manifestatie van onze eigen wil tot macht -- en om die wil zelf kritisch te bevragen. Wat willen wij werkelijk? Welke wereld willen wij vormgeven? En hoe kunnen wij voorkomen dat onze vormgevende kracht zich tegen ons keert? Dit zijn geen technische vragen, maar existentiële en politieke. Ze vragen niet om optimalisatie, maar om bezinning. Niet om efficiëntie, maar om wijsheid. Niet om controle, maar om verantwoordelijkheid.
De Duitse filosoof Hans Jonas, in zijn werk "Das Prinzip Verantwortung" (1979), pleit voor een nieuwe ethiek die is aangepast aan de schaal en impact van moderne technologie. Waar traditionele ethiek primair gericht was op de directe gevolgen van individuele handelingen, moet een technologische ethiek rekening houden met de cumulatieve, systemische effecten van technologische interventies die zich uitstrekken over generaties en ecosystemen. Jonas formuleert een nieuwe categorische imperatief: "Handel zo dat de effecten van je handelen verenigbaar zijn met de permanentie van echt menselijk leven op aarde." Deze imperatief vraagt om een fundamentele heroriëntatie van onze technologische praktijken, weg van korte-termijn optimalisatie en naar lange-termijn duurzaamheid en menselijke bloei.
Hier keert de figuur van Hephaistos terug als ambivalent symbool: de kreupele god-ambachtsman die wonderbaarlijke technologische creaties schept, maar zelf beperkt blijft door zijn eigen lichamelijkheid. Zijn kreupelheid is geen toevallig gebrek, maar een noodzakelijk moment in de dialectiek van technologische macht: de herinnering aan onze fundamentele eindigheid en kwetsbaarheid, aan de grenzen van onze beheersing, aan de noodzaak van een technologische bescheidenheid die ruimte laat voor het onbeheerste, het onvoorziene, het werkelijk menselijke.
In de Ilias beschrijft Homerus hoe Hephaistos, ondanks zijn fysieke beperkingen, de wapenrusting van Achilles smeedt -- een wapenrusting die niet slechts functioneel is, maar ook esthetisch perfect, versierd met afbeeldingen van het menselijk leven in al zijn complexiteit: oorlog en vrede, arbeid en feest, geboorte en dood. Deze wapenrusting is niet slechts een instrument voor oorlog, maar een kunstwerk dat de totaliteit van het menselijk bestaan reflecteert. In deze synthese van functionaliteit en schoonheid, van techniek en kunst, ligt een model voor een andere verhouding tot technologie: een verhouding die technologie niet reduceert tot instrumentaliteit, maar haar erkent als medium van menselijke expressie en betekenisgeving.
Want uiteindelijk gaat het niet om macht over technologie, maar om macht over onszelf -- om het vermogen om onze eigen wil tot macht te richten op doelen die werkelijk menselijk zijn. Niet op beheersing omwille van beheersing, maar op de schepping van een wereld waarin de mens niet slechts functioneert, maar bloeit. Niet slechts overleeft, maar leeft. Niet slechts macht uitoefent, maar vrijheid verwerkelijkt.
De Franse filosoof Paul Ricoeur spreekt in dit verband van de noodzaak van een 'tweede naïviteit': een houding die voorbij de kritische ontmaskering van illusies een nieuwe vorm van bevestiging, van engagement, van geloof mogelijk maakt. Na de kritische ontmaskering van technologische illusies -- de illusie van neutraliteit, de illusie van controle, de illusie van vooruitgang -- is er behoefte aan een nieuwe vorm van technologisch engagement die de ambivalentie van technologie erkent maar niet vervalt in cynisme of fatalisme. Een engagement dat technologie ziet als een domein van menselijke creativiteit en verantwoordelijkheid, als een medium waarin onze menselijkheid zich kan uitdrukken en transformeren.
In deze zin is de dialectiek van macht en vervreemding, van zelfverheffing en zelfonderwerping, geen noodlot maar een opgave: de opgave om technologie niet slechts te gebruiken of te ondergaan, maar te doordenken en te vormen als medium van menselijke zelfverwerkelijking. Niet als Prometheus, die het vuur steelt en daarvoor gestraft wordt, maar als Hephaistos, die het vuur beheerst en ermee schept, maar altijd in het bewustzijn van zijn eigen beperkingen en kwetsbaarheid.
Epiloog: Voorbij de Tweede Macht
De Tweede Macht, die zich manifesteert in de autonomisering van technologische systemen, confronteert ons met een fundamentele vraag: hoe kunnen wij onze menselijkheid bewaren in een wereld die steeds meer wordt vormgegeven door algoritmen, platforms en infrastructuren die aan onze directe controle ontsnappen? Hoe kunnen wij voorkomen dat de systemen die wij hebben geschapen om onze vrijheid te vergroten, uiteindelijk die vrijheid ondermijnen?
Deze vraag is niet nieuw. Ze heeft filosofen, schrijvers en kunstenaars beziggehouden sinds de opkomst van de moderne technologie. In Mary Shelley's "Frankenstein" (1818) schept Victor Frankenstein een wezen dat hij vervolgens verstoot, dat hem achtervolgt en uiteindelijk zijn ondergang bewerkstelligt -- een verhaal dat vaak wordt gelezen als een allegorie voor de moderne technologische conditie. In Fritz Lang's film "Metropolis" (1927) wordt de stad van de toekomst gepresenteerd als een dystopische machine die de arbeiders reduceert tot radertjes in een gigantisch mechanisme. In George Orwell's "1984" (1949) wordt technologie ingezet als instrument van totale surveillance en controle. En in meer recente werken zoals de Netflix-serie "Black Mirror" worden de donkere kanten van onze digitale cultuur geëxploreerd in een reeks dystopische scenario's.
Deze culturele verbeeldingen van technologie zijn niet slechts fantasieën of waarschuwingen, maar reflecties van een fundamentele ambivalentie die inherent is aan onze technologische conditie. Ze geven uitdrukking aan een intuïtie die we allemaal delen: dat technologie zowel bevrijdt als beheerst, zowel verbindt als isoleert, zowel verrijkt als verarmt. Deze ambivalentie is niet toevallig of vermijdbaar, maar constitutief voor onze verhouding tot technologie.
Het antwoord op deze ambivalentie ligt niet in een romantische afwijzing van technologie, noch in een naïeve omarming van elke technologische innovatie. Het ligt in een nieuwe verhouding tot technologie die haar ambivalentie erkent en cultiveert. Een verhouding die technologie niet ziet als een neutraal instrument dat we naar believen kunnen gebruiken, noch als een autonome kracht die ons determineert, maar als een medium waarin onze menselijkheid zich uitdrukt en transformeert.
De Franse filosoof Bernard Stiegler, wiens werk we eerder bespraken, spreekt in dit verband van de noodzaak van een 'nieuwe Verlichting': een kritische heroriëntatie van onze technologische praktijken die technologie niet langer ziet als instrument van beheersing, maar als medium van zorg en cultivering. In zijn trilogie "Technics and Time" analyseert hij hoe technologie niet slechts een instrument is dat we gebruiken, maar een constitutief element van onze menselijkheid. Wij zijn altijd al technische wezens, altijd al verwikkeld in een co-evolutie met onze technische systemen. Deze co-evolutie is niet een recente ontwikkeling, maar een constante in de menselijke geschiedenis -- van de eerste stenen werktuigen tot de meest geavanceerde digitale technologieën.
In "Technics and Time" schrijft Stiegler: "La technique est la poursuite de la vie par d'autres moyens que la vie." Techniek is de voortzetting van het leven met andere middelen dan het leven. Deze formulering drukt de fundamentele continuïteit uit tussen leven en techniek: techniek is niet iets dat buiten het leven staat, maar een voortzetting en transformatie van levensprocessen. Tegelijkertijd benadrukt het de discontinuïteit: techniek opereert volgens principes die niet volledig te herleiden zijn tot biologische processen. In deze spanning tussen continuïteit en discontinuïteit ligt de kern van Stiegler's denken over techniek.
Deze nieuwe verhouding tot technologie vereist wat we kunnen noemen een 'technologische geletterdheid' die verder gaat dan louter technische competentie. Het vereist een begrip van de wijze waarop technologie niet slechts functionaliteit biedt, maar ook waarden, normen en machtsverhoudingen belichaamt. Het vereist een bewustzijn van de wijze waarop technologische systemen niet slechts instrumenten zijn die we gebruiken, maar omgevingen die ons vormen. En het vereist een kritische reflectie op de wijze waarop onze eigen verlangens, angsten en verwachtingen worden gevormd door de technologische systemen waarin we leven.
De Amerikaanse technologiefilosoof Langdon Winner spreekt in dit verband van 'technologisch burgerschap': het vermogen om kritisch en actief deel te nemen aan de vormgeving van technologische systemen. In zijn essay "Do Artifacts Have Politics?" analyseert hij hoe technologische artefacten politieke kwaliteiten belichamen: ze bevorderen bepaalde machtsrelaties, bepaalde sociale arrangementen, bepaalde vormen van autoriteit. Deze politieke dimensie van technologie is niet toevallig of extern, maar inherent aan het ontwerp en de implementatie van technologische systemen. Technologisch burgerschap vereist het vermogen om deze politieke dimensie te herkennen en te beïnvloeden, om deel te nemen aan de democratische vormgeving van technologische systemen.
Deze technologische geletterdheid is niet slechts een individuele competentie, maar een collectieve praktijk. Het vereist nieuwe vormen van democratische deliberatie en besluitvorming over technologische ontwikkeling. Het vereist nieuwe institutionele arrangementen die technologische macht onderwerpen aan democratische controle. En het vereist nieuwe culturele narratieven die ons in staat stellen om technologie te begrijpen niet als een externe kracht die ons overkomt, maar als een domein van menselijke creativiteit en verantwoordelijkheid.
De Amerikaanse politiek filosoof Langdon Winner pleit in zijn werk "The Whale and the Reactor" voor wat hij 'epistemologische luciferheid' noemt: een vorm van kennis die niet slechts gericht is op beheersing en controle, maar op begrip en wijsheid. Deze epistemologische luciferheid vereist een fundamentele heroriëntatie van onze technologische praktijken, weg van wat Winner de 'technologische somnambulisme' noemt -- de neiging om technologische ontwikkelingen te behandelen als autonome, onvermijdelijke processen -- en naar een bewuste, reflexieve vormgeving van technologische systemen in dienst van democratisch bepaalde doelen.
In deze nieuwe verhouding tot technologie ligt de mogelijkheid van wat we kunnen noemen een 'Derde Macht': een vorm van macht die niet langer gebaseerd is op directe dwang (Eerste Macht) of op infrastructurele vormgeving (Tweede Macht), maar op bewuste, collectieve vormgeving van technologische systemen in dienst van menselijke bloei en vrijheid. Deze Derde Macht is niet een gegeven, maar een opgave -- een opgave die vraagt om nieuwe vormen van politieke organisatie, nieuwe vormen van technologisch ontwerp, en nieuwe vormen van culturele verbeelding.
De figuur van Hephaistos wijst ons hier de weg. Niet als een model van perfectie of beheersing, maar als een symbool van creatieve ambivalentie. Hephaistos, de kreupele god-ambachtsman, belichaamt zowel de kracht als de kwetsbaarheid van technologische creativiteit. Hij herinnert ons eraan dat onze technologische macht altijd verbonden is met onze eindigheid, dat onze vormgevende kracht altijd gepaard gaat met afhankelijkheid, dat onze beheersing altijd begrensd wordt door het onbeheerste.
In de Odyssee beschrijft Homerus hoe Hephaistos, na zijn vernedering door Aphrodite en Ares, niet vervalt in wrok of wraak, maar terugkeert naar zijn werkplaats en nieuwe wonderbaarlijke objecten schept. Deze terugkeer naar creatieve arbeid, ondanks vernedering en pijn, symboliseert een fundamentele menselijke capaciteit: het vermogen om te scheppen ondanks kwetsbaarheid, om vorm te geven ondanks eindigheid, om betekenis te creëren ondanks contingentie. In deze capaciteit ligt de kern van wat we kunnen noemen een 'technologische wijsheid': een wijsheid die technologie niet ziet als een middel tot perfectie of transcendentie, maar als een medium van menselijke zelfverwerkelijking in al haar complexiteit en kwetsbaarheid.
In deze erkenning van ambivalentie ligt de mogelijkheid van een nieuwe technologische wijsheid -- een wijsheid die technologie niet ziet als een middel tot perfectie of transcendentie, maar als een medium van menselijke zelfverwerkelijking in al haar complexiteit en kwetsbaarheid. Een wijsheid die ons in staat stelt om technologie te vormen niet als een vlucht uit onze menselijkheid, maar als een expressie en verdieping van die menselijkheid.
De Amerikaanse filosoof Albert Borgmann pleit in zijn werk "Technology and the Character of Contemporary Life" voor wat hij een 'focale praktijk' noemt: een praktijk die niet gericht is op efficiëntie of gemak, maar op engagement en betekenis. Focale praktijken -- zoals koken, tuinieren, muziek maken -- vereisen aandacht, vaardigheid, en betrokkenheid. Ze zijn niet gericht op het elimineren van moeite of weerstand, maar op het cultiveren van een rijke, betekenisvolle relatie met de wereld. In een tijd waarin technologie steeds meer gericht is op het elimineren van weerstand en moeite, op het creëren van frictionloze ervaringen, pleit Borgmann voor een herwaardering van praktijken die juist weerstand en moeite vereisen -- niet als doel op zich, maar als voorwaarde voor betekenisvolle betrokkenheid.
Want uiteindelijk gaat het niet om technologie als zodanig, maar om de vraag welke wereld wij willen vormgeven en welke mensen wij willen zijn. Technologie is niet slechts een instrument voor deze vormgeving, maar het medium waarin deze vormgeving zich voltrekt. In die zin is de vraag naar technologie altijd ook een vraag naar onszelf -- naar onze verlangens, onze waarden, onze dromen. En het antwoord op deze vraag ligt niet in technologie zelf, maar in de wijze waarop wij haar vormgeven en ons door haar laten vormen.
De Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum pleit in haar werk "Creating Capabilities" voor een benadering van ontwikkeling die niet primair gericht is op economische groei of technologische vooruitgang, maar op het vergroten van menselijke capaciteiten -- het vermogen van mensen om te leven op een wijze die ze zelf waardevol achten. Deze 'capabilities approach' vraagt om een fundamentele heroriëntatie van onze technologische praktijken, weg van abstracte maatstaven van efficiëntie en productiviteit, en naar concrete vragen over menselijke bloei en vrijheid. Welke capaciteiten worden vergroot of verkleind door specifieke technologische systemen? Welke levensvormen worden mogelijk gemaakt of onmogelijk gemaakt? Welke waarden worden bevorderd of ondermijnd?
In deze dialectiek van vormgeving en gevormd-worden ligt de kern van onze technologische conditie. Een conditie die niet te overstijgen is, maar die we kunnen leren bewonen met meer bewustzijn, meer wijsheid, meer vrijheid. Niet als Prometheus, die het vuur steelt en daarvoor gestraft wordt, maar als Hephaistos, die het vuur beheerst en ermee schept, maar altijd in het bewustzijn van zijn eigen beperkingen en kwetsbaarheid. In deze bewuste, reflexieve verhouding tot technologie ligt de mogelijkheid van een nieuwe humaniteit -- een humaniteit die niet gedefinieerd wordt door haar oppositie tegen technologie, maar door haar vermogen om technologie te integreren in een rijker, complexer begrip van wat het betekent om mens te zijn.
Eindnoten
[1]↑ Georges Bataille (1897–1962) ontwikkelt in La Part maudite (1949) [Het vervloekte teveel. KW] een radicaal alternatief voor de klassieke, utilitaire economie: de algemene economie. Centraal hierin staat het concept van dépense (verspilling of onproductieve uitgave), dat verwijst naar activiteiten die geen economisch nut dienen, maar juist gericht zijn op het vernietigen of verbruiken van overvloed. Voorbeelden hiervan zijn oorlog, religieuze offers, luxe, kunst en erotiek. Bataille betoogt dat elke samenleving te maken heeft met een overschot aan energie dat niet volledig kan worden geabsorbeerd door productieve uitgaven. Deze energie, oorspronkelijk afkomstig van de zon, vormt de basis voor biologische diversiteit, evolutie en uiteindelijk de menselijke cultuur. Het leven is, in Bataille's visie, niets anders dan een continue transformatie en verlies van deze gratis aangeleverde zonne-energie. Zonder dit excessieve overschot zou de mens, als soort, nooit hebben kunnen evolueren en zou hij wellicht al in een vroeg stadium zijn uitgestorven. De notie van dépense is niet alleen relevant voor het begrijpen van natuurlijke processen, maar ook voor menselijke creativiteit en technologische ontwikkeling. Bataille's ideeën bieden een alternatief perspectief op technologische creatie: niet slechts als een reactie op schaarste of gebrek, maar ook als een expressie van overvloed; een manier om de excessieve energie die het leven kenmerkt, te kanaliseren en te transformeren. Dit roept de vraag op of technologie, in haar meest fundamentele vorm, niet alleen dient om te ordenen, voorspellen en beheersen (zoals Bataille opmerkt in het citaat dat dit artikel opent), maar ook om de menselijke drang naar verspilling en overvloed te faciliteren. Technologie wordt zo niet alleen een instrument van macht, maar ook een metafysische toestand die de menselijke relatie tot energie, creativiteit en zelfs het heilige herdefinieert. Bataille's kritiek op de technische rationaliteit die hij ziet als een poging om de wereld te reduceren tot een beheersbaar systeem, is hierbij cruciaal. Als "weten" in de moderne betekenis van technische rationaliteit inderdaad "de macht is om te ordenen, te voorspellen en te beheersen," dan markeert de opkomst van de technologische mens niet alleen het ontstaan van een nieuwe actor, maar ook het begin van een nieuwe metafysische toestand. Deze toestand wordt gekenmerkt door een paradox: aan de ene kant de drang om alles te rationaliseren en te controleren, en aan de andere kant de onvermijdelijke, excessieve uitgaven van energie die elke vorm van controle lijken te ondermijnen. In deze spanning ligt wellicht de sleutel tot het begrijpen van de dubbele aard van technologie: als zowel een instrument van beheersing als een uiting van de onbeheersbare, overvloedige krachten die het leven zelf definiëren. Voor een verdere verdieping in Bataille's concepten, zie met name La Part maudite (1949), waarin hij de implicaties van dépense uitwerkt voor economie, antropologie en filosofie. Zijn ideeën resoneren sterk met latere kritieken op technologische determinisme en bieden een vruchtbare lens om de relatie tussen macht, technologie en menselijke creativiteit te heroverwegen. (Bataille, G. (1949). La Part maudite: Essai d'économie générale. Éditions de Minuit.).
[2]↑ Lucebert (1924-1994), pseudoniem van Lubertus Jacobus Swaanswijk, was een Nederlandse dichter en schilder die behoorde tot de experimentele Vijftigers-beweging. In zijn beroemde gedicht "ik tracht op poëtische wijze" (1952) introduceert hij het concept van "de ruimte van het volledig leven" als een domein dat door poëzie ontsloten wordt. De regel "in deze tijd heeft wat men altijd noemde / schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand" drukt een fundamentele crisis uit in onze verhouding tot de wereld, maar ook de mogelijkheid van een nieuwe, authentiekere relatie tot de werkelijkheid door middel van poëtische vormgeving. Deze spanning tussen verlies en creatie resoneert met onze analyse van de technologische conditie als een voortdurende dialectiek van vervreemding en zelfverwerkelijking.
[3]↑ Rilke, R. M. (2022). De elegieën van Duino (2e editie). Uitgeverij IJzer.
[4]↑ Id. noot 2, p.2
[5]↑ Zie noot 1.
[6]↑ Borgmann, A. (1984). Technology and the Character of Contemporary Life: A Philosophical Inquiry. Chicago: University of Chicago Press.
[7]↑ Al het ongeluk van de mens komt voort uit één ding, namelijk dat hij niet in staat is om rustig in een kamer te blijven zitten.
[8]↑ Johann Christian Friedrich Hölderlin (1770 – 1843) In Liebliche Blaue. Vol verdiensten, maar toch op poëtische wijze, leeft de mens op deze aarde. Maar de schaduw van de nacht met de sterren is, als ik het zo mag zeggen, niet zuiverder dan de mens, die een beeld van de Godheid wordt genoemd.
[9]↑ Zoals Giuliano da Empoli opmerkt in Het uur van de wolven, wordt macht in de eenentwintigste eeuw steeds minder uitgeoefend via klassieke structuren van wet en orde, en steeds meer via het creëren van chaotische werkelijkheden. Macht bestaat niet alleen in het opleggen van orde, maar juist in het bespelen van onzekerheid en het cultiveren van verwarring. Bron: Da Empoli, G. (2025). Het uur van de wolven. Amsterdam: Atlas Contact.
[10]↑ Arnold Gehlen (1940) Der Mensch. Seine Natur Und Seine Stellung in Der Welt. Klostermann Rote Reihe, Band 89
[11]↑ Jos de Mul heeft een inzichtelijk essay geschreven dat de kern van Gehlen's betoog raakt: Kunstmatig van nature. (Boom 20XX)
Bibliografie
Genummerd op volgorde van eerste vermelding in de tekst
[1]↑ Agamben, Giorgio (2009). What is an Apparatus? and Other Essays. Stanford University Press.
[2]↑ Nietzsche, Friedrich (1883). Also sprach Zarathustra. Boom, Amsterdam.
[3]↑ Heidegger, Martin (1998). Zijn en tijd. SUN.
[4]↑ Simondon, Gilbert (1958). Du mode d'existence des objets techniques. Aubier.
[5]↑ Westermann, Claus (1987). Genesis: Een praktische bijbelverklaring. Deel I. J.H. Kok.
[7]↑ Galassi, F.M., et al. (2025). Tetanus: historical and palaeopathological aspects considering its current health impact. Journal of Preventive Medicine and Hygiene, 65(4), E580-E585DOI: 10.15167/2421-4248/jpmh2024.65.4.3376
[8]↑ Sloterdijk, Peter (2009). Je moet je leven veranderen: Over antropotechniek. Boom.
[9]↑ Marcuse, Herbert (1964). One-Dimensional Man: Studies in the Ideology of Advanced Industrial Society. Beacon Press.
[10]↑ Foucault, Michel (1989). Discipline, toezicht en straf: De geboorte van de gevangenis. Historische Uitgeverij.
[11]↑ Gehlen, Arnold (1940). Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt. Junker und Dünnhaupt.
[12]↑ Adorno, Theodor W. (2013). Minima Moralia. Boom, Amsterdam.
[13]↑ Adorno, Theodor W. & Horkheimer, Max (2007). Dialectiek van de Verlichting. Boom, Amsterdam.
[14]↑ Aeschylus (500 BCE). Prometheus Bound.
[15]↑ Agamben, Giorgio (2004). Het Open. De mens en het dier. Boom, Amsterdam.
[16]↑ Agamben, Giorgio (2009). Wat is een dispositief?. Boom, Amsterdam.
[17]↑ Arendt, Hannah (2006). Vita Activa. Boom, Amsterdam.
[18]↑ Arendt, Hannah (1951). De oorsprong van het totalitarisme. Boom, Amsterdam.
[19]↑ Arendt, Hannah (2006). Vita Activa: Over het actieve leven. Boom.
[20]↑ Aretaeus van Cappadocië (1e eeuw n.Chr.). De Causis et Signis Acutorum Morborum [Over de oorzaken en tekenen van acute ziekten], I.VI.Link
[21]↑ Benjamin, Walter (2017). Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid. Boom, Amsterdam.
[22]↑ Borgmann, Albert (1984). Technology and the Character of Contemporary Life. University of Chicago Press, Chicago.
[23]↑ Braun, D.R., et al. (2019). Earliest known Oldowan artifacts at >2.58 Ma from Ledi-Geraru, Ethiopia. Proceedings of the National Academy of Sciences, 116(24), 11712-11717Link
[24]↑ Craig, O.E., et al. (2013). Earliest evidence for the use of pottery. Nature, 496, 351-354Link
[25]↑ Ellul, Jacques (1964). The Technological Society. Vintage Books.
[26]↑ Fisher, Mark (2009). Capitalist Realism: Is There No Alternative?. Zero Books, Winchester.
[27]↑ Foucault, Michel (1978). Sécurité, Territoire, Population. Gallimard/Seuil, Parijs.
[28]↑ Gehlen, Arnold (1940). Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt.
[29]↑ Gehlen, Arnold (1957). Die Seele im technischen Zeitalter: Sozialpsychologische Probleme in der industriellen Gesellschaft. Rowohlt.
[30]↑ Goethe, Johann Wolfgang von (1797). Der Zauberlehrling.
[31]↑ Han, Byung-Chul (2012). De vermoeide samenleving. Van Gennep.
[32]↑ Haraway, Donna J. (2016). Staying with the Trouble: Making Kin in the Chthulucene. Duke University Press.
[33]↑ Hayles, N. Katherine (2012). How We Think: Digital Media and Contemporary Technogenesis. University of Chicago Press, Chicago.
[34]↑ Heidegger, Martin (1954). Die Frage nach der Technik. Neske.
[35]↑ Hesiodus (1910). Theogonie.
[36]↑ Hesiodus (2011). Werken en Dagen.
[37]↑ Jonas, Hans (1979). Het principe verantwoordelijkheid. Suhrkamp, Frankfurt am Main.
[39]↑ Kockelkoren, Petran (1998). Techniek: Kunst, Cultuur, Communicatie. Boom.
[40]↑ Latour, Bruno (2005). Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network-Theory. Oxford University Press.
[41]↑ Nietzsche, Friedrich (2015). Aldus sprak Zarathoestra: Een boek voor allen en niemand. Boom.
[42]↑ Nussbaum, Martha (2011). Creating Capabilities: The Human Development Approach. Harvard University Press, Cambridge MA.
[43]↑ Rand, Ayn (1957). Atlas Shrugged. Random House.
[44]↑ Ricoeur, Paul (1965). De l'interprétation: Essai sur Freud. Seuil, Parijs.
[45]↑ Shelley, Mary (1818). Frankenstein; or, The Modern Prometheus. Lackington, Hughes, Harding, Mavor & Jones, Londen.
[46]↑ Simondon, Gilbert (1958). Du Mode d'Existence des Objets Techniques. Aubier, Parijs.
[47]↑ Sloterdijk, Peter (2004). Sphären III: Schäume. Suhrkamp.
[48]↑ Stiegler, Bernard (1994). La Technique et le Temps. Galilée, Parijs.
[49]↑ Stiegler, Bernard (2020). The Initial Trauma of Exosomatization.
[50]↑ Stiegler, Bernard (1994). La Technique et le Temps, 1: La Faute d'Épiméthée. Galilée.
[51]↑ Thiel, Peter (2014). Zero to One: Notes on Startups, or How to Build the Future. Crown Business.
[52]↑ Weizenbaum, Joseph (1966). ELIZA—A Computer Program for the Study of Natural Language Communication between Man and Machine. Communications of the ACM, 9(1), 36-45
[53]↑ Westermann, Claus (1987). Genesis 1-11: A Commentary.
[54]↑ Winner, Langdon (1980). Do Artifacts Have Politics?. Daedalus
[55]↑ Zuboff, Shoshana (2019). The Age of Surveillance Capitalism: The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power. PublicAffairs.
Licentie & Gebruik
© 2026 Kees Winkel. "Technologie en Macht". Dit werk is gelicenseerd onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal licentie.
U bent vrij om:
- Delen — het materiaal te kopiëren en te verspreiden
- Bewerken — het materiaal te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
Onder de volgende voorwaarden:
- Naamsvermelding — U moet de auteur vermelden, een link naar de licentie geven, en aangeven of het werk veranderd is. Gebruik de citatie-generator op deze pagina voor correcte annotatie.
- NietCommercieel — U mag het werk niet voor commerciële doeleinden gebruiken zonder expliciete toestemming van de auteur.
- GelijkDelen — Als u het werk heeft geremixt, veranderd, of op het werk heeft voortgebouwd, moet u het veranderde materiaal verspreiden onder dezelfde licentie als het originele werk.
Voor commercieel gebruik of andere vragen, neem contact op via [email protected]
Citeer dit artikel
APA
Kees Winkel. (2026). Technologie en Macht: Een Drieledige Machtsinterpretatie. Keramische Kramp. https://keramische-kramp.nl/artikel/technologie-en-macht
Chicago
Kees Winkel. "Technologie en Macht: Een Drieledige Machtsinterpretatie." Keramische Kramp, 2026. https://keramische-kramp.nl/artikel/technologie-en-macht.
MLA
Kees Winkel. "Technologie en Macht: Een Drieledige Machtsinterpretatie."Keramische Kramp, 2026, keramische-kramp.nl/artikel/technologie-en-macht.