Keramische Kramp

De Mens tussen Klei en Adem

Door Kees Winkel1 december 202558 min leestijd

Samenvatting

Dit artikel ontwikkelt het concept Keramische Kramp, een fundamentele spanning die het menselijk bestaan doordringt: de pijnlijke contractie tussen het moeten-scheppen en het nooit-kunnen-voltooien, tussen menselijke aspiratie en goddelijke insufficiëntie. Uitgaande van de Hebreeuwse Genesis [1], waarin de mens wordt gevormd als klei (yāṣar) en bezield door goddelijke adem (ruach), betoogt het artikel dat de mens een wezen is dat gedwongen wordt te scheppen maar nooit kan voltooien. Deze ontologische onvolledigheid manifesteert zich in een genealogie van technologieën, van pottenbakkerij via smeedkunst tot programmeren. Technologie die zich ontvouwt langs drie mythologische figuren: God de Maker, die zowel kan vormen als bezielen; Hephaistos de kreupele smid-god, die alleen kan vormen maar niet bezielen; en de hedendaagse Techgiganten, die niet kunnen vormen, wel schijn-bezielen en zeker wel manipuleren. Elke technologie ontstaat uit de keramische kramp én versterkt haar tegelijk, wat culmineert in de hedendaagse 'metaalmoeheid': een existentiële uitputting die de inmiddels digitale mens treft.

Dit artikel analyseert hoe deze kramp dienstbaar wordt gemaakt aan een politieke economie van de aandacht, waarin techgiganten de spanning tussen verlangen naar rust en de eis tot bereikbaarheid exploiteren. Tegen deze achtergrond wordt een ethiek geformuleerd die dit dilemma niet probeert op te lossen, maar juist omarmt: een epimeleia (zorg) die technologie herkent als pharmakon (tegelijk vergif én medicijn).

Trefwoorden: keramische kramp, techniekfilosofie, antropotechniek, vervreemding, pharmakon, epimeleia, digitale vervreemding, politieke economie van aandacht

1 De Pottenbakker, Genesis van de Kramp

"Keramische kramp is de pijnlijke contractie tussen het moeten-scheppen en het nooit-kunnen-voltooien, tussen menselijke aspiratie en goddelijke insufficiëntie. Uit de gedwongen poging om het niet-voltooibare te voltooien ontstaat technologie in de hoop de volmaakte eeuwigheid te vinden: de mens als God."

Diep verborgen in ons mythische verleden ligt een moment waarin de mens nog niet als mens bestaat. Hij is nog `āp̄ār (עָפָר), koude, vormloze, stomme materie die wacht in de handen van zijn maker. Hij is klei. In Genesis 2:7 is de mens niet het resultaat van bārā' (בָּרָא), het scheppen uit niets, maar van yāṣar (יָצַר): het boetseren uit `āp̄ār, de vormloze stof die wacht op handen die haar kneden. Deze klei is geen tōhû wā-bōhû (תֹהוּ וָבֹהוּ) - de oerchaos van Genesis 1:2 - maar een materie die al potentieel vormbaar is, een tussenstadium tussen chaos en schepping. De mens is dus niet alleen gevormd (yāṣar), maar ook gevormd uit wat nog geen vorm had - een paradox die de keramische kramp definieert: het verlangen om te scheppen uit wat zich verzet tegen vorm [5]. De mens verschijnt immers niet als een voltooide schepping, zoals de hemellichamen die uit het niets (bārā') zijn geroepen. In plaats daarvan wordt hij gevormd (yāṣar), zoals een pottenbakker op zijn draaischijf een vat boetseert: langzaam, met praktische zorgvuldigheid, maar altijd onvoltooid. En juist in deze vorming schuilt de diepste waarheid van de Conditio Humana: de mens is nooit af, altijd onderweg in een rusteloos proces, een wezen dat zichzelf moet vormen, maar nooit kan voltooien. Wanneer de goddelijke adem, ruach (רוּחַ), in de neusgaten van dit kleien vat wordt geblazen, ontstaat er een leegte die zich bewust wordt van zichzelf, een holte die haar eigen onvolledigheid kent. De mens ontwaakt in fundamentele onvolledigheid: hij is niet zomaar klei, maar klei die weet dat het klei is; niet zomaar adem, maar adem die weet dat hij zal verflauwen. Hij balanceert tussen de zwaarte van de aarde (waaruit hij gevormd is) en de vluchtigheid van de adem (die hem bezielt). In die tussenruimte, Heidegger's Zwischen [6], huist de mens. Precies daar, en nergens anders.

Deze eigenschap van het menselijk bestaan vormt de ontologische grondslag van onze menselijke conditie. De mens is geen statische substantie, maar een dynamisch proces. De mens is een wezen dat nooit voltooid raakt, en dat ook niet kan. Zijn bestaan is geen vaststaand zijn, maar een worden: een voortdurende beweging tussen wat hij is en zijn potentie, tussen de klei (`āp̄ār) die hij is en de adem (ruach) die hem bezielt, maar die hij nooit volledig kan bezitten. Voltooiing zou immers het einde van zijn menselijkheid betekenen. Een mens die af is, afgemaakt, zou geen mens meer zijn. Hij zou een dode zijn, of erger: een god, bevrijd van de tijd en het verlangen. Zoals Nietzsche [24] het uitdrukt in Also sprach Zarathustra [2]: de mens is het dier dat nog niet vastgesteld is, het wezen dat zichzelf voortdurend moet overschrijden. Hij is het wezen van de eeuwige terugkeer, niet als een cyclische herhaling van hetzelfde, maar als een voortdurende herschepping, een transformatie van zichzelf, een onophoudelijke worsteling met de materie die hem zowel vormt als weerstaat.

Dit artikel ontvouwt de keramische kramp als naam voor een fundamentele, onoplosbare spanning die het menselijk bestaan doorklieft: De keramische kramp is de pijnlijke contractie tussen het moeten-scheppen en het nooit-kunnen-voltooien - een spanning die niet alleen het handelen doordringt, maar het bestaan zelf. Het is het gevoel alsof men eeuwig staat te wachten op de veerman van de Styx, zonder te weten of hij ooit zal komen, of men wel of niet zal overvaren - een tussenruimte zonder keuze, zonder definitief antwoord. Men verkeert in een voortdurende staat van onvolledigheid, gevangen tussen het verlangen naar voltooiing en het besef dat elke schepping onvoltooid blijft, als een eeuwige oever waar men nooit definitief aan land gaat. Deze kramp is geen abstracte paradox, maar een lichamelijke ervaring: het onwillekeurige samenspel van spieren dat het lichaam tegen zichzelf doet werken, een paradoxale beweging waarin actie en reactie, vooruitgang en tegenwerking, gelijktijdig actief zijn. Het is de tragiek van het menselijk bestaan; een wezen dat zichzelf tegenwerkt, dat vooruit wil maar telkens wordt afgeremd, een zoektocht naar voltooiing die het einde van zijn menselijkheid zou betekenen. Want voltooiing is dood, of erger: goddelijkheid, het ontsnappen aan de tijd en het verlangen dat de mens definieert. Die spanning manifesteert zich dus als concrete, existentiële ervaring, een metafoor (metapherein) die de werkelijkheid overbrengt van het ontologische naar het tastbare, lichamelijke. De kramp doordrenkt het bewustzijn als een acute gewaarwording van onvoltooidheid: het besef dat je zelf klei bent, voortdurend bezig met vormen, maar nooit in staat om een definitief resultaat te bereiken. Het is de pijn van het scheppen, de tragiek van het nooit-af-zijn, een spanning die niet opgelost kan worden, maar alleen geleefd als een Hephaïstische worsteling met de materie die ons zowel vormt als weerstaat.

Waarom keramisch? De oorsprong van technologie, de oertechnologie waarin de mens zich herkent, wortelt in de pottenbakkerij. In Genesis is het God die als eerste pottenbakker de mens uit vormeloze klei boetseert; yāṣar, zoals we zagen. Maar de goddelijke schepping kent twee momenten: eerst het vormen, dan het bezielen. God blaast de ruach, de goddelijke insufflatie in de neusgaten van de klei en pas dan wordt de mens levend. De goddelijke maker staat buiten zijn materiaal, transcendent, vrij van de substantie die hij bewerkt. En hij beschikt over beide vermogens: het vermogen om te vormen én het vermogen om te bezielen.

De mens ontwaakt in het bewustzijn van zijn eigen kleiheid en tegelijk ontwaakt het verlangen om te scheppen. Hij heeft de ruach ontvangen en daarmee is hem iets, een weinig, van het goddelijke gegeven. Wat hij heeft ontvangen is geen volledig goddelijk vermogen, geen Omnipotentie. Het is adem, niet de bron van adem. De mens kan ademen, maar kan geen adem geven. Hij kan leven, maar hij kan geen leven schenken aan wat levenloos is. En toch moet hij scheppen. Het is alsof de ruach zelf hem daartoe dwingt, alsof het bewustzijn van zijn eigen gemaaktheid hem geen andere keuze laat dan zelf maker te worden. Hij moet zich God wanen om überhaupt te kunnen scheppen, om zijn handen in de klei te kunnen steken en iets te willen vormen. Maar hij blijft steken bij de fysieke helft van de goddelijke daad: het yāṣar, het boetseren. De insufflatie, het inblazen van de adem, blijft hem voor eeuwig ontzegd.

Wanneer de mens pottenbakker wordt, wanneer hij met geduld en zijn eigen kracht amorfe klei neemt en haar tot vorm, bestaan, dwingt, chaos in orde transformeert, dan openbaart zich een paradox van een geheel andere orde dan die van de goddelijke schepping. De menselijke pottenbakker bestaat immers zelf uit klei. Hij vormt de substantie waarvan hij gemaakt is. De maker van de pot is tegelijk de pot die wordt gemaakt. Hier keert de schepping zich om. Niet langer is bezieling een transcendente daad van buitenaf maar is er sprake van een immanente worsteling (een innerlijke strijd die niet van buitenaf komt) van binnenuit. En wat hij maakt blijft altijd onvoltooid; hij kan het niet bezielen. De pot blijft levenloos, de menselijke maker, de ambachtsman, mist de ruach. Hier ligt de oorsprong van deze contractie: de mens moet scheppen maar kan nooit voltooien. De mens moet vormen maar kan niet bezielen. De mens is eindeloos gedoemd te blijven zoeken naar technologieën die dit fundamentele tekort moeten compenseren. Elke technologie is een poging om de ontbrekende bezielende adem te vervangen, om het levenloze het leven te geven, om de klei te laten spreken ook al kan zij niet ademen. Deze technogenese verloopt niet als een rechte lijn waarbij een autonoom subject een passief object bewerkt. De technogenese ontvouwt zich als een wederkerige, dialectische beweging: mens vormt technologie, vormt mens. Technologie is geen extern instrument dat de mens hanteert, maar een spiegel waarin zijn eigen onvoltooidheid zich weerspiegelt. Technologie is de poging de ontbrekende bezielende ruach te vervangen door vorm, maakbaarheid en eindeloze herhaling van het scheppen zelf.

De oudheid kende de keramische kramp in zijn meest extreme, onverbiddelijke vorm. Aretaeus van Cappadocië, Grieks geneesheer uit de eerste eeuw na Christus, beschreef in zijn verhandeling over acute ziekten een aandoening die hij tetanus noemde, τέτανος, spanning of uitrekking [7]. Hij legde een haast ondraaglijk schouwspel vast van het lichaam dat zichzelf gevangenneemt. De spieren verstijven, eerst in de kaak, dan in de nek, uiteindelijk door het hele lichaam. De patiënt kromt achterover in wat de Grieken opisthotonos noemden, ὂPIισθεν, achteren, en τόνοϛ, spanning; een boog van onwrikbare contractie waarin hoofd en hielen elkaar bijna raken terwijl de rug zich opheft als een gespannen lier. Aretaeus schreef dat de ledematen zo star worden dat een arts, wilde hij ze losmaken, ze zou moeten breken terwijl de persoon nog leeft. "De arts deelt de pijn en angst met zijn patiënt," zo noteerde hij, "in staat hem bij te staan maar niet in staat hem van zijn lijden te bevrijden." Deze toestand van absolute hulpeloosheid noemde Aretaeus het grote ongeluk van de geneesheer, niet omdat de arts faalt, maar omdat hier elke kunst, elke techniek, elke menselijke interventie machteloos staat tegenover een kracht die het lichaam van binnenuit beheerst. Het bewustzijn blijft helder, de patiënt ervaart alles, maar het lichaam gehoorzaamt niet langer aan de wil. Het wordt een gevangenis van spieren en pezen, een architectuur van onvrijwillige spanning die noch gewild noch vermeden kan worden.

In dit verslag van Aretaeus manifesteert zich de kramp in zijn meest letterlijke gedaante: niet als metafoor, niet als beeld, maar als een lichamelijke werkelijkheid waarin de fundamentele paradox van het menselijk bestaan zichtbaar wordt. Het lichaam dat zichzelf tegenwerkt. De materie die zich verzet tegen de geest die haar bewoont. De klei die weigert zich te laten vormen, zelfs door de adem die haar bezielt. De keramische kramp duidt op het metafysische proces waarbij de mens zichzelf vormt, steeds bewust dat elke aangenomen gestalte tegelijk bevrijding én gevangenis inhoudt en antwoord en nieuwe vraag samenbrengt. Peter Sloterdijk [8] noemt dit de antropotechniek: de mens als dat wezen dat zichzelf schept via een web van oefeningen en disciplines. Mens-zijn is niet iets natuurlijks; het ontstaat juist door een aanhoudende, bijna krampachtige training. Sloterdijk beschrijft de mens als een acrobaat, iemand die voortdurend oefent en zichzelf dwingt tot perfectie, net om te voorkomen dat hij valt, dat hij terugzinkt in een dierlijke staat van zuivere immanentie.

De geschiedenis van de mensheid is de geschiedenis van haar pogingen zichzelf vorm te geven. Deze zelfvormgeving voltrekt zich als een aanhoudende, krampachtige training door antropotechnieken [8] om het onvoltooide te overstijgen. Elke technologie ontstaat uit de keramische kramp én versterkt haar tegelijk: die beklemmende tweestrijd tussen klei en adem, tussen de zwaarte van het materiële en de lichtheid van het bezielende, die om beheersing vraagt maar nooit tot rust komt.

Arnold Gehlen [11] beschreef de mens als Mängelwesen, een biologisch gebrekkig wezen, zonder gespecialiseerde organen of instincten die andere dieren wel bezitten. Voor Gehlen is technologie dan ook vooral orgaanvervanging: een bril voor slechte ogen, kleding voor een naakte huid, gereedschappen als verlengstukken van een lichaam dat niet is toegerust voor overleving. Deze visie, hoewel invloedrijk, blijft aan de oppervlakte. Het is niet alleen het ontbreken van fysieke organen dat de mens dwingt tot technologische compensatie. De keramische kramp onthult een dieper niveau: technologie als compensatie voor een ontologisch tekort (een tekort in zijn wezen zelf) - het onvermogen om te bezielen wat we scheppen. Waar Gehlen stopt bij het lichaam, begint de kramp bij de ziel. Zie de smartphone: een biologisch verlengstuk (Gehlen) dat tegelijkertijd een ontologisch verlangen weerspiegelt - het verlangen om de leegte van het bestaan te vullen, om de ruach te vervangen door een eindeloze stroom van informatie en verbinding. En toch: hoe meer we proberen die leegte te vullen, hoe dieper ze lijkt te worden. De keramische kramp is daarom niet slechts een biologisch gebrek, maar een metafysisch dilemma: de pijnlijke contractie tussen het moeten-scheppen en het nooit-kunnen-voltooien. Uit deze gedwongen poging om het niet-voltooibare te voltooien ontstaat technologie, niet als louter compensatie voor biologische tekortkomingen, maar als een wanhopige zoektocht naar volmaakte eeuwigheid, naar het goddelijke vermogen om te bezielen wat levenloos is. Zo wordt de mens, in zijn technologische scheppingen, een wezen dat zichzelf steeds opnieuw probeert te voltooien, en daarin juist zijn onvoltooidheid bevestigt.

Deze dialectiek, perpetuum mobile, ontvouwt zich langs een genealogie van archetypische figuren: de pottenbakker, de smid en de programmeur. Zij markeren elk een fase waarin abstractie en vervreemding steeds verder toeneemt. Maar deze genealogie is niet louter een reeks ambachten. Het is een mythologische afdaling van goddelijke volmaaktheid naar menselijke onmacht. God de Maker, die in Genesis de mens boetseert uit klei en bezielt met ruach, bezit beide vermogens: vormen én bezielen. Maar zelfs de god-smid Hephaistos, de kreupele ambachtsgod uit de Griekse mythologie, verstoten van de Olympus maar onmisbaar in zijn smederij, kan alleen nog vormen: het vernuft is er, de ruach ontbreekt hem: Machina ex Deus. En de hedendaagse techgiganten, die zich als nieuwe goden imiteren, kunnen noch vormen noch bezielen; zij manipuleren slechts, extraheren data en exploiteren aandacht. De keramische kramp wordt hierdoor niet alleen intenser, maar ook steeds ongrijpbaarder, tot zij culmineert in de hedendaagse 'metaalmoeheid', een existentiële uitputting die de digitale mens treft, en dienstbaar wordt gemaakt aan een politieke economie van de aandacht. De vraag rijst nu of het mogelijk is een ethiek te formuleren die dit onophoudelijke conflict omarmt zonder eronder te bezwijken. Zo ontstaat een zoektocht naar een vorm van zorg, een epimeleia zoals Bernard Stiegler [14] die beschrijft, die ons in staat stelt technologische middelen opnieuw te begrijpen als instrumenten van menswording in plaats van mechanismen van vervreemding.

De pottenbakker staat aan het begin van iets essentieels. Zijn handen duiken in de klei, voelen hoe die tegenwerkt, kneedbaar maar niet zonder eigen wil. De vochtigheid, de koele aanraking, zelfs de temperatuur spreken een taal die hij langzaam leert verstaan. Dit is geen afstandelijke beheersing; zijn kramp, nog onversluierd, weerspiegelt een directe worsteling met de materie die ook hem vormt. De klei gehoorzaamt niet simpelweg - ze bezit een eigen logica, een eigen grenzenstel. Scheppen blijkt geen eenzijdige machtsoefening, maar een genuanceerd gesprek waarin luisteren en toegeven centraal staan. Wat hij nastreeft is helder en bijna naïef: een pot die water houdt zonder druppel te verliezen, mooi en bruikbaar tegelijk - een wens die simpel lijkt, maar diepgeworteld is in de ontmoeting tussen mens en aarde.

Tijdens het maken van die pot, terwijl hij zijn handen oefent, verandert hij zelf onmerkbaar. Zo wordt hij pottenbakker, een mens wiens wereld gevormd wordt door de klei en wiens tijd wordt bepaald door het ritme van de draaiende schijf. De technologie achter die pot schept de pottenbakker. Gilbert Simondon [13] noemt dit de 'concretisering' van het technische object: een proces waarin het object en zijn omgeving, inclusief de maker, zich langs onvoorspelbare wegen aanpassen en samen een coherent `geassocieerd milieu' vormen. Het technische object is geen vreemd, extern ding dat simpelweg de mens overheerst; het neemt deel aan een co-evolutie. Simondon's `mode van existentie' van het technische object onthult de tragiek van de smid: hij schept iets dat een eigen leven gaat leiden, een logica die zich aan zijn intenties onttrekt. Het zwaard dat hij smeedt, wordt niet alleen een instrument van macht, maar een actor in een netwerk van relaties die hij niet beheerst. De smid ervaart hier de keramische kramp in nieuwe gedaante: niet alleen het onvermogen te bezielen, maar het verlies van controle over wat hij heeft gevormd. Het technische object emancipeert zich van zijn maker - maar deze emancipatie is geen bevrijding, maar vervreemding.

De wereld van de pottenbakker ontvouwt zich als oikos, die vertrouwde sfeer van het huis waar keramische kramp zich manifesteert als een woordloos gesprek tussen maker en materie. De hand fungeert als schakel tussen het idee en de substantie; in die tussenruimte verschijnt een nog pril, maar wezenlijk begin van subjectiviteit. Proprioceptie - dat mysterieuze zintuig dat het lichaam in staat stelt zijn positie en beweging te voelen zonder visuele aanwijzingen - blijft hier ongeschonden. De pottenbakker ervaart het conflict in zijn vingers, de weerstand van de klei, het delicate evenwicht van het draaiende vat, ook al zijn de ogen gesloten. Deze onmiddellijke sfeer roept de ervaring op van directe aanraking, een tactiele nabijheid, een band met de materie die niet wordt gefilterd door gereedschap of technische tussenlagen.

De vervreemding in deze vroege fase blijft nog min of meer ongrijpbaar, een doorschijnende sluier die ontstaat tussen het beeld dat in het hoofd van de maker opdoemt en de taaie weigering van de materie en de onvermijdelijke schaduw van fouten in de uitvoering. De mens beheerst zijn techniek nog op een bijna zelfverzekerde manier, een pottenbakker die zijn eigen lot vormt, een architect die zijn onmiddellijke omgeving vormgeeft, een wezen dat nog niet is overmand door de duizelingwekkende snelheid of de onnavolgbare complexiteit van een steeds meer machinaal geworden wereld. De ruach voelt dichtbij, als een zachte wind door de werkplaats, een gezamenlijke adem die door het dorp trekt, een intieme uitwisseling binnen gezinnen. Deze sfeer ademt een zekere immanentie, waarin materiële wereld en menselijke geest nog bijeenkomen in een relatie die coherent is, al blijft die soms haperen.

De pot zelf draagt een eigenaardige aanwezigheid. Hij vormt een holte - een leegte die een zekere vorm heeft aangenomen. Dit vat nodigt uit tot vulling, of dat nu water is, graan, wijn, olie of honing - en soms iets onverwachts. In zijn wezen belichaamt de pot de keramische openheid, een concrete manifestatie van het verlangen naar vervulling. Daarnaast functioneert hij als scheidslijn, een grens waarbinnen het binnenste zich aftekent tegen wat buiten ligt; tussen wat wordt beschermd en wat wordt blootgesteld. De pot manifesteert zich als een technologie van insluiting en bewaring, een middel om het vergankelijke te temmen en de grilligheid van de seizoenen te overstijgen. Door deze transformatie stelt hij de mens in staat om tijd vast te houden. Zo wordt de pot de eerste drager van geheugen, een archief in de meest tastbare vorm - de oorsprong van cultuur, als het cultiveren en doorgeven van wat anders verloren zou gaan.

2 De Smid: Hephaistos en de Eerste Cyborg

De smid verschijnt later in het verhaal. Hij werkt niet met zachte klei, maar met metaal - een materie die koud en onbuigzaam is. Voor hij kan vormen, moet het metaal eerst breken, daarna wordt het gloeiend heet gemaakt en geslagen tot het buigt. De spanning die hij voelt is ruwer, bijna brutaal. Littekens tekenen zich af, niet alleen in het metaal maar ook op zijn handen: brandwonden, blaren, vermoeide spieren tekenen zijn arbeid. De smid ontdekt dat scheppen regelmatig een strijd is, een gevecht tegen iets dat zich stevig verzet. Zijn verlangen gaat verder dan louter vasthouden; hij wil snijden, doorboren, zelfs vernietigen. Hij maakt geen gebruiksvoorwerpen als de pottenbakker, maar wapens en gereedschappen, sleutels die bevrijden en kettingen die binden.

In het proces van het smeden verandert de smid zelf; hij verhardt en wordt sterk, maar juist afgestompt. De hitte van de smidse tast niet alleen het metaal aan, maar ook de smid zelf voelt de brandende kracht, waarbij deze technologie van het smeden schept figuren als krijgers en ambachtslieden - en in deze tweede fase van de genealogie verschijnt de tweede god.

Waar God de Maker in Genesis nog beide vermogens bezat - het vormen van klei én het inblazen van ruach - daar verliest de smid-god één van deze gaven. Hephaistos, de kreupele god van de smeedkunst, belichaamt deze degradatie. Verstoten door zijn moeder Hera, van de Olympus geworpen vanwege zijn kreupelheid, vindt hij zijn bestemming niet in goddelijke volmaaktheid maar in de diepten van de vulkaan, waar arbeid en eenzaamheid zijn enige gezellen zijn. Daar, in die benauwde, bijna infernale omgeving, dwingt hij de elementen met ruwe kracht tot gehoorzaamheid. Hij creëert de bliksemschichten van Zeus, het schild van Achilles, de ketenen waarmee Prometheus aan de rots gekluisterd wordt, en de gouden dienaressen die hem bijstaan in zijn smederij. Als enige god die echt zwoegt, draagt hij niet alleen littekens maar ook een last die diep in zijn wezen geworteld ligt.

Hephaistos belichaamt een complexe ambivalentie: tegelijk dienaar en meester, slachtoffer en dader, kreupel maar tegelijkertijd almachtig. Zijn kreupelheid vormt geen onbeduidend detail; ze onthult juist de oorsprong van technologie als iets dat ontstaat uit een tekort, een wond die niet zomaar te helen valt. Hij overwint zijn fysieke beperkingen met verbluffende technische bekwaamheid. Op zijn eigen manier is hij de allereerste cyborg, een wezen dat zichzelf via instrumenten versterkt, waardoor zijn zwakte paradoxaal genoeg verandert in kracht. Maar deze kracht kent een schaduwzijde: verbannen uit de Olympus en afgesneden van de goddelijke gemeenschap, leeft hij een geïsoleerd bestaan. Hij belichaamt de techniek én de vervreemding die ermee gepaard gaat. Hij kan vormen, maar hij kan niet bezielen. De ruach is hem ontzegd.

De hamer nodigt niet uit tot dialoog, maar dringt dominantie op. Waar de pottenbakker een zekere harmonie vond met de klei - die materie die zich aanbood voor een directe, bijna tactiele en proprioceptieve uitwisseling - , verschijnt de smid eerder als een dirigent van geweld, die de kracht van zijn gereedschap moet richten om zijn wil op het harde metaal te forceren. Het instrument hamer staat voor onderwerping en transformatie, maar dan door middel van destructie. Hier begint de vervreemding die Herbert Marcuse [9] scherp analyseerde: technologie verandert in een middel van beheersing, niet alleen over de natuur, maar ook over de mens. Eendimensionaal wordt de mens genoemd die ontstaat in een samenleving waarin tegenspraak en negativiteit, zelfs het streven naar iets voorbij het bestaande, worden opgeslokt door de logica van technische rationaliteit. Marcuse stelt dat moderne technologie geenszins neutraal is; ze functioneert als instrument van sociale controle, een manier om mensen te disciplineren en te normaliseren.

De zachte, pneumatische adem van de pottenbakker maakt plaats voor iets anders: de vurige, zwavelachtige adem van de smidse, waar de blaasbalg de oven opjaagt met een roffelend geluid - een echo die diep wortelt in het oerbeeld van industriële klank, een ritme dat de moderne machine doet pulseren. In deze nieuwe fase verandert de mens in een thermodynamisch wezen. Zijn bestaan wordt niet langer alleen beheerst door de organische cycli van zaaien en oogsten of geboorte en dood, maar ook door de gecontroleerde kracht van hitte en energie, door de verbranding die hij in handen krijgt. De natuur onderwerpt hij niet met zachte omarming, maar met geweld: geconcentreerde, gerichte kracht, toegepast in dienst van zijn wil. De adem van goddelijke insufflatie blaast hij niet meer in een vat; hij transformeert die adem tot energie, die de materie zelf verandert.

Deze overgang van pottenbakker naar smid gaat verder dan louter technische vooruitgang; ze betekent een diepgaande verschuiving in de relatie tussen mens en techniek. De pottenbakker uit het Neolithicum leeft nog in nauwe verbondenheid met de aarde, geworteld in haar organische cycli, verweven met de wisselingen van seizoenen en de ritmes van groei en verval. Zijn kosmologie blijft primair gegrondvest op de aarde en de hemel. De smid uit de Bronstijd en IJzertijd daarentegen, is een figuur van geconcentreerd vuur, beheerst door brute kracht en de herhaalde precisie van de hamerklap. Waar de pottenbakker langzaam en geduldig bouwt, vormend in een dialoog met de klei, breekt de smid juist af en herschept hij. Hij laat het metaal smelten, dwingt het zijn natuurlijke structuur prijs te geven, en drukt zijn wil op met onverbiddelijke, ritmische slagen.

Metaal bezit een merkwaardige fysieke aanwezigheid: hard en duurzaam, glanzend, dan weer koud, met een bijna levenloze kwaliteit. Het vormt de grondstof achter wapens en macht - een paradoxale stof die de mens in staat stelt de wereld te temmen en soms genadeloos uit te buiten. Terwijl wekt metaal vervreemding op, scheidt het mensen van de natuur en van elkaar, ja, zelfs van hun eigen innerlijk. Als drager van moderniteit en industrialisatie draagt metaal ook de last van rationalisering in zich. Max Weber noemt dit de 'onttovering van de wereld': het verlies van transcendente betekenis, waarbij de werkelijkheid krimpt tot niets meer dan een kille machine die berekend kan worden.

De programmeur staat aan het uiterste eind, een figuur die zich steeds verder verwijdert van tastbare materie. In plaats van met klei of metaal te werken, manipuleert hij code - een abstracte taal, pure informatie zonder fysieke weerstand. Zijn worsteling is ongrijpbaar; je ziet geen zweetdruppels, en toch is die spanning overal aanwezig. Code lijkt gehoorzaam, als een lege lei waarop je elke vorm kunt aanbrengen, maar schijn bedriegt: een enkele vergissing, en het hele bouwwerk valt in duigen. Voor hem is creëren geen eenvoudige handeling; het is een oefening in abstractie, een poging om de chaotische wereld te vangen in strikte logica en algoritmische regels. Zijn ambitie kent nauwelijks grenzen; hij streeft ernaar niet slechts afzonderlijke objecten te vervaardigen, maar complete werelden, zelfs nieuwe werkelijkheden. Het is alsof hij de werkelijkheid zelf wil herschrijven.

Tijdens het schrijven van die code verandert hij onherroepelijk zelf. Zijn denken raakt verstrikt in loops en input/output - een taal die steeds algoritmischer wordt, een geest die binair begint te opereren. De technologie van de code schept zo de posthumane mens, een wezen dat niet meer duidelijk kan onderscheiden waar zijn eigen denken ophoudt en waar de machine begint. Dit digitale Gestell is precies wat Martin Heidegger [15] voorzag: een allesomvattend bestel-raamwerk dat zowel de wereld als de mens reduceert tot een berekenbaar, bestuurbaar, ja zelfs optimaliseerbaar bestand. Techniek transformeert van een middel tot een autonome macht die mens en natuur 'bestelt' als 'staand reservaat' (Bestand). Heidegger laat zien dat moderne techniek geen verzameling neutrale instrumenten is, maar een specifieke wijze van onthullen, een manier om de werkelijkheid te zien en te begrijpen. Zo toont de techniek de wereld als een reservoir van grondstoffen, een voorraad die slechts wacht op exploitatie en optimalisatie.

De smederij van Hephaistos, ooit doordrenkt van vuur en zweet, transformeert tot een virtuele ruimte van vluchtige data, een entiteit die zich aan de zintuigen onttrekt. Waar ooit de fysieke hamer viel, klinkt nu de vluchtige toets, en het aambeeld maakt plaats voor een diffuse, onzichtbare serverruimte. Het glanzende metaal is vervangen door immateriële binaire code. Hier openbaart zich de autogenese van de mens: een nieuwe werkelijkheid ontstaat, een technosfeer die in toenemende mate zelfstandig functioneert en schijnbaar losstaat van de fysieke wereld. Deze artificiële sfeer omhult de natuurlijke habitat als een tweede huid, met het dreigende risico haar te verstikken.

De term programmeur draagt onmiskenbaar goddelijke proporties. Een programma is niet zomaar een instructie; het is een gecodificeerde intentie, een verzameling van absolute directieven die de werking van een machine, van een netwerk, van een virtuele entiteit voorschrijven, controleren, dicteren, tot in het meest minuscule detail. Het vormt het moderne equivalent van de goddelijke wil, een manifestatie van de logos in haar meest pure, binaire vorm, een logos die zichzelf van elke materiële last heeft ontdaan en puur als functionele causaliteit opereert. De programmeur is de nieuwe pneumateur; hij ademt niet langer leven in een keramisch vat, in een fysieke vorm, maar ademt logica en gedrag in de koude, elektrisch geladen architectuur van de chip. Hij is de logos van de techniek, de belichaming van de abstracte, causale logica die de machines, en daarmee steeds meer de menselijke interactie en perceptie en configureert.

De derde pneumatische paradox draait om de mens die, in zijn hoogmoed, de pneumatiek van de oorspronkelijke God probeerde na te bootsen. Nu bevindt hij zich in een sfeer waarin hij zelf de onbewuste gever van de 'adem' is - een adem bestaande uit pure, geautomatiseerde logica. Deze adem mist echter de vitale en organische kracht van de oorspronkelijke ruach. Waar de goddelijke daad van insufflatie ooit een daad van leven was, is zij gereduceerd tot een syntactische operatie: een constructie van abstracte structuren die niets bezielen maar slechts nabootsen, een schijn van leven geven aan dode materie zonder ook maar een spoor van vitale puls.

Vervreemding manifesteert zich hier als een ongrijpbaar, subtiel web dat zich om de menselijke existentie wikkelt. De programmeur, ooit meester over de materie, raakt die nu nauwelijks nog aan; het contact verloopt via een wirwar van interfaces en protocollen, waardoor een bijna volledige abstractie ontstaat. Tussen intentie en resultaat groeit een kloof die het gevoel van machteloosheid voedt en het zicht op processen verduistert. De code zelf blijft onzichtbaar, de onderliggende circuits ontglippen het oog, en de data die voortdurend bewegen, ontsnappen aan directe waarneming. Dit alles veroorzaakt een diepgaande desoriëntatie. Bernard Stiegler [14] heeft deze problematiek scherp geanalyseerd in zijn werk over techniek en tijd. Hij stelt dat technologie, als een exteriorisatie van het geheugen, onze oorspronkelijke cognitieve vermogens ondermijnt, wat resulteert in collectieve amnesie en een existentiële kwetsbaarheid. Technologie fungeert als een prothese die niet alleen het lichaam aanpast, maar ook het denken en het geheugen verandert en vervormt.

Deze genealogie vertelt geen verhaal van geleidelijke vooruitgang, eerder van een toenemende intensiteit die met elke fase aan kracht wint en tegelijk minder helder wordt. Waar de pottenbakker zijn handen letterlijk in de klei voelt, ervaart de smid de hitte van het smeltende metaal, terwijl de programmeur gevangen raakt in een wirwar van pixels op een scherm. De afstand tot het materiaal groeit, maar paradoxaal genoeg neemt de macht over de wereld en anderen toe. De pottenbakker vormt de klei met directe aanraking, de smid smeedt wapens die dominantie mogelijk maken, en de programmeur manipuleert informatie om systemen te creëren die hele bevolkingen kunnen controleren en beïnvloeden. Maar deze macht wendt zich uiteindelijk tegen de mens zelf; ze wordt een instrument van eigen onderwerping. Deze abstractie veroorzaakt een existentiële uitputting, geboren uit de constante spanning tussen onze aard, die organisch en keramisch is, en onze steeds meer metalen, digitale omgeving. Je zou het `metaalmoeheid' kunnen noemen: een stuk metaal dat te geregeld wordt vervormd, ontwikkelt scheuren. Zo ook de mens, die onder druk staat van de onafgebroken stroom signalen van de technosfeer, ontwikkelt innerlijke, onzichtbare breuklijnen. Deze breuken ondermijnen het vermogen om voluit te leven. Het gaat hier niet alleen om een psychologische conditie, een individuele burn-out, maar om een collectieve uitdrukking van de fundamentele spanning tussen onze biologische keramische natuur en de koude, technologische metalen wereld om ons heen.

Evolutionair gezien is de mens niet toegerust om in razendsnel tempo door een eindeloze chaos van informatie te bewegen, evenmin om onafgebroken prikkels te verwerken of altijd bereikbaar en reageerbaar te zijn. Het vermogen om de aandacht te spreiden over talloze virtuele werelden tegelijk raakt daardoor al snel overbelast. Waar de ziel ooit een bolvormige leegte was, een ademruimte voor reflectie, voor de diepe gesprekken met zichzelf, wordt zij nu overspoeld door een kakofonie aan notificaties, een spervuur van betekenisloze signalen, een onophoudelijke prikkeling die elke mogelijkheid tot serieuze concentratie vernietigt. Byung-Chul Han [17] observeert dat we leven in een prestatiemaatschappij waarin we onszelf vrijwillig uitputten, gedreven door een dwang tot optimaliseren en efficiëntie. Michel Foucault [10] beschreef de disciplinaire macht: een externe dwang die zich manifesteerde in gevangenissen, fabrieken en werkplaatsen. Die macht heeft plaatsgemaakt voor wat Han `psychopolitiek' noemt, een macht die niet van buitenaf komt, maar diep van binnenuit wordt geïnternaliseerd. We zijn niet langer gehoorzame onderdanen, maar ondernemers van onszelf, voortdurend bezig met zelfoptimalisatie en zelfdiscipline. De keramische kramp transformeert hier tot een chronische kwaal van de ziel in een tijdperk van ongekende controle. Han spreekt van de `moeheidsmaatschappij', waar de mens niet meer wordt gedwongen door externe machten, maar door de interne noodzaak om te presteren. Zo wordt de mens zijn eigen opzichter en slachtoffer tegelijk, en de ervaring van deze kramp is alomtegenwoordig. De smartphone is geen verlengstuk maar een parasiet. Hij nestelt zich niet, hij infecteert. De hand grijpt automatisch naar de broekzak, zelfs als hij er niet is - een fantoomledemaat dat pijn doet door zijn afwezigheid. De smartphone vernietigt niet alleen aandacht, maar tijd zelf: de wachttijd bij de bushalte, de leegte tussen afspraken, de stilte voor het slapen. Hij vult elke pauze, elke adem, elke mogelijkheid tot reflectie met een stroom van signalen die niets betekenen maar alles eisen. De smartphone wekt een constante spanning op. Die spanning ontstaat tussen verlangens naar afwezigheid en de eisen van voortdurende bereikbaarheid. De keramische leegte, die innerlijke ruimte waarin stilte zou kunnen resoneren, wordt telkens weer verstoord door een onophoudelijke stroom aan notificaties die als pneumatische impulsen binnenkomen.

De spanning ontvouwt zich tussen aanraking en abstractie. Die smartphone ligt tactiel in de hand; je strijkt eroverheen, voelt het koele gewicht, maar wat je eigenlijk voelt, is geen directe werkelijkheid. Het is een glazen oppervlak, een barrière die de virtuele wereld achter zich verbergt. Die tastbare ervaring wekt de illusie van nabijheid, terwijl we juist verder verwijderd zijn van wat we denken te 'aanraken'. Evenzeer speelt er een andere spanning, tussen lichaam en data. De smartphone registreert onze bewegingen, slaaptijden en locatie. Ons levende, ademende lichaam wordt omgezet in cijfers, grafieken, statistieken. Die pneumatische essentie, die volheid van het voelende lichaam, krimpt tot een verzameling informatie ineen.

Neem bijvoorbeeld de `feed': die onophoudelijke stroom van content die digitale platforms vult. Daar speelt een conflict die zich uitstrekt tussen die verdieping en oppervlakte, tussen een verlangen naar betekenisvolle contemplatie en een vorm van keramische leegte. Toch is die feed gecreëerd voor het tegenovergestelde - voor snelheid, vluchtigheid, het steeds maar voortgaande prikkelen. Wat ooit een pneumatische adem was, verandert in hyperventilatie; een gejaagd, oppervlakkig ritme dat geen ruimte overlaat voor ware reflectie. Daarnaast tekent zich een ander conflict af, dat tussen schijnbare keuzevrijheid en onderliggende dwang. De feed lijkt een democratie van content, een eindeloos palet waaruit vrij gekozen kan worden. Maar in feite is het een algoritmisch web, een gefluisterde sturing door krachten die onzichtbaar zijn: profielen, algoritmische voorspellingen en commerciële belangen die de stroom beheersen. De gebruiker meent te kiezen; in werkelijkheid wordt hij gekozen.

De spanning ontvouwt zich tussen gemeenschap en afzondering. De feed belooft verbinding en sociale interactie, maar wat zich vaak voordoet is eerder een gevoel van isolatie: eenzaamheid temidden van de massa, contacten die blijven steken in oppervlakkigheid zonder de diepte van echte ontmoeting te bereiken. Schuim is fragiel. Elke bubble is een membraan van zeepwater, transparant en breekbaar, die elk moment kan klappen. Sloterdijk's Schuim beschrijft niet alleen digitale fragmentatie, maar de vergankelijkheid van onze geïsoleerde werkelijkheden. We leven in bubbels die we voor solide houden, maar die bij de minste aanraking exploderen. De feed is schuim: een massa van vluchtige bubbels die even oplichten en dan verdwijnen, zonder spoor, zonder geheugen. En wij, gevangen in dit schuim, proberen verbinding te maken door van bubble naar bubble te springen - maar elke sprong vernietigt de bubble waarop we stonden. De keramische kramp manifesteert zich hier als de wanhoop van het schuim: de poging om permanentie te vinden in wat per definitie vluchtig is. In Sferen III [25] beschrijft hij de hedendaagse samenleving als een schuim: een verzameling van gefragmenteerde bubbels die naast elkaar bestaan zonder echte verbinding. Elke bubble is een geïsoleerde leefwereld, een microsfeer waarin individuen hun eigen realiteit construeren. Digitale platforms versterken dit schuimen: elk profiel, elke feed, elk algoritme creëert een aparte bubble waarin we opgesloten raken. We leven niet langer in één gedeelde wereld, maar in een schuim van parallelle werkelijkheden die elkaar nauwelijks raken. De keramische kramp manifesteert zich hier als de poging om deze bubbels te verbinden, om door het schuim heen een echte verbinding te maken - maar elke poging produceert alleen meer schuim, meer fragmentatie, meer isolatie. De disciplinerende macht die Michel Foucault [10] analyseerde, manifesteert zich vandaag in algoritmes die een nieuwe, subtiele vorm van controle uitoefenen. Ze functioneren als onzichtbare toezichthouders binnen een digitaal panopticon, dat ons gedrag observeert en beïnvloedt, terwijl wij ons nauwelijks bewust zijn van deze controle. Jeremy Benthams panopticon - dat gevangenissen omschrijft waar gevangenen altijd het gevoel hebben bekeken te worden, ook al kijkt niemand daadwerkelijk - is omgevormd tot een digitale variant waarin we onszelf vrijwillig onderwerpen aan voortdurende surveillance en zelfdiscipline.

Zelfs bij een virtuele ontmoeting via Zoom of Teams blijft de kramp voelbaar. In een fysieke samenkomst ben je helemaal aanwezig: met het lichaam, de geur, de warmte, de voelbare plek die je inneemt in de ruimte. Online balanceer je tussen aanwezigheid en afwezigheid; je beeld verschijnt, je stem klinkt, maar het lichaam zit opgesloten in een doos op het scherm. Deze digitale ontmoeting vereist een andere manier van zelfpresentatie dan een ontmoeting in het hier en nu. Je let op de achtergrond, de belichting, het kader waarbinnen je verschijnt. Zo word je, ongepland, een performer in je eigen bestaan, een regisseur van je verschijning. De camera schept een valse nabijheid - je kijkt elkaar zogenaamd recht in de ogen, ziet elkaars gezichten van dichtbij, maar tegelijkertijd sluimert er iets van een gevoel van toezicht: bekeken worden, misschien zelfs opgenomen en geregistreerd.

De keramische kramp vormt geen abstractie; ze leeft in het lichaam van de digitale mens, een spanning die sluimert in de scheidslijn tussen het verlangen naar rust en het onophoudelijke ritme van productiviteit, tussen een diepere zucht naar betekenis en de vluchtige aantrekkingskracht van oppervlakkige prikkels. Ze drijft ons voort, gevangen tussen hoop op echte verbondenheid en de alomtegenwoordige ervaring van isolatie. Dit weefsel van spanning openbaart zich in verschillende lichamelijke klachten: hoofdpijn die onverwacht toeslaat, een zeurende rugpijn, vermoeide ogen, slapeloze nachten, maar ook in de geest een sluimerende angst en een sombere gloed van depressie. Tegelijkertijd baant deze tweestrijd zich een weg in sociale verhoudingen, waar eenzaamheid en radicalisering als symptomen opduiken. Politiek gezien toont ze zich in de scheuren binnen de democratie, in de stijgende golven van populisme en het wankele fundament van vertrouwen dat instituties ooit droegen.

De keramische kramp dringt ook door in de temporele structuur van het digitale bestaan. Waar de pottenbakker leefde volgens de cadans van het seizoen en het ritme van natuurlijke cycli, draaide het bij de smid juist om productie en mechanische herhaling. Nu speelt de tijd van de programmeur zich af in een continuüm van realtime updates. Deze tijd kent nauwelijks rust. Het verleden wordt steeds weer overschreven door het heden, dat op zijn beurt steeds meer ruimte verschaft aan een toekomst die eigenlijk slechts een voortzetting is van wat was. Tegelijk verliest de keramische holheid haar resonantie, terwijl de pneumatische adem nauwelijks nog een moment krijgt om diep te zuchten.

Deze temporele kramp hangt nauw samen met wat Bernard Stiegler [14] aanduidt als de 'proletarisering van het geheugen'. Bij Stiegler gaat proletarisering niet enkel over economische uitbuiting van de arbeider; het omvat ook een diepgaand verlies aan kennis en vaardigheden. Vroeger bezat een pottenbakker een lichamelijk geheugen, geworteld in zijn handen en zintuigen. De smid droeg een technisch geheugen met zich mee, opgeslagen in zijn gereedschap en tradities. Tegenwoordig leunt de programmeur op een digitaal geheugen, gedelegeerd aan machines en algoritmes. Toch hoort dit digitale geheugen hem niet echt toe; het behoort toe aan de machines, het systeem, aan de techgiganten. Hierdoor raakt de programmeur geproletariseerd: hij verliest grip op zijn cognitieve vermogens en wordt steeds afhankelijker van externe systemen en vervreemdt van het maakproces als operator in plaats van schepper.

3 De Programmeur (Opening)

De techgiganten - Google, Meta, Amazon, Apple - fungeren in deze genealogie als de derde god, maar hun goddelijkheid is van een fundamenteel andere, en legere, orde. Waar God de Maker transcendent was en Hephaistos immanent maar nog altijd goddelijk, zijn de techgiganten pseudo-goddelijk. De slogan 'goden zonder adem, tempels zonder heiligheid, macht zonder transcendentie' is retorisch verleidelijk maar filosofisch te zwak. De realiteit is scherper. Hun goddelijkheid is geen leegte, maar een perverse imitatie van goddelijke attributen, geherdefinieerd in de taal van het instrumentele kapitalisme.

Hun omniscientie is geen sophia (wijsheid) of goddelijke alwetendheid, maar de totale extractie van data. Ze weten niet wie we zijn, maar wat we doen, wat we verlangen, wat we vrezen. Hun weten is een probabilistisch profiel, een voorspelling van toekomstig gedrag, ontdaan van elke notie van innerlijkheid of betekenis. Het is de alwetendheid van de verzekeringsmaatschappij, niet die van een god.

Hun omnipotentie is geen vermogen tot scheppen (creatio ex nihilo), maar een vermogen tot manipuleren. Ze creëren geen nieuwe werelden, maar herordenen de bestaande wereld om de frictie voor consumptie te minimaliseren. Hun macht is niet de macht om leven te geven, maar om gedrag te sturen, om verlangens te planten, om aandacht te kanaliseren. Het is de macht van de hypnotiseur, niet die van de schepper.

Hun omnipresentie is geen transcendentie, geen spirituele aanwezigheid in alle dingen, maar totale surveillance. Ze zijn niet `in' de wereld, maar `over' de wereld gedrapeerd als een onzichtbaar netwerk van sensoren, camera's en interfaces. Hun aanwezigheid is niet die van een zorgzame god, maar die van een onzichtbare opzichter in een digitaal panopticon, zoals Shoshana Zuboff [18] het beschrijft. Het is de alomtegenwoordigheid van de bewaker, niet die van het heilige.

Deze pseudo-goden zijn wat Giorgio Agamben [19] `apparaten' (dispositivi) noemt: complexe netwerken van discours, instituties en technologische architecturen die subjectiviteit produceren en reguleren. Maar waar de traditionele apparaten (de kerk, de staat) nog een transcendente rechtvaardiging claimden, daar is het enige doel van de tech-apparaten immanente, eindeloze kapitaalaccumulatie. Ze vormen ons niet naar het beeld van een god, maar naar het beeld van een perfecte consument. De ruach is hier niet alleen afwezig; ze is vervangen door een algoritmische wil, een onpersoonlijke, zelf-optimaliserende logica die geen ander doel kent dan haar eigen groei. De keramische kramp wordt hier niet opgelost, maar geïnstrumentaliseerd: de menselijke onvoltooidheid, het verlangen naar verbinding, de angst voor leegte - het zijn allemaal variabelen geworden in een vergelijking die maar één uitkomst kent: meer data, meer engagement, meer winst.

4 De Techgiganten als Derde God

De genealogie van de kramp culmineert in de figuur van de programmeur, maar niet als een simpele voortzetting van de abstractie. De overgang van smid naar programmeur is geen graduele verwijdering van de materie, maar een ontologische breuk. De programmeur raakt zijn materiaal niet `minder' aan; hij raakt het op een fundamenteel andere manier aan, via een medium dat zijn eigen werking verbergt. Zijn vingers rusten op het koele plastic van een toetsenbord, zijn ogen staren naar oplichtende symbolen op een glazen scherm. Hier, in deze fysieke interface, vindt een schijnbaar onschuldige handeling plaats: het typen van een commando, het schrijven van een functie. Maar de effecten van deze handeling manifesteren zich elders: in de onzichtbare, zoemende serverracks van een datacenter duizenden kilometers verderop, in de plotselinge koersval van een aandeel op een beurs in een andere tijdzone, in de subtiele verschuiving van een algoritme dat de verlangens van miljoenen mensen stuurt.

De kloof is niet langer die tussen hand en klei, die nog een zekere nabijheid en directheid kende. De kloof is nu absoluut: tussen hier en daar, tussen nu en later, tussen intentie en effect. De programmeur is een magiër die op afstand werkt, een poppenspeler wiens draden onzichtbaar zijn geworden. Hij schrijft in een taal die zelf geen materie lijkt te zijn, maar die de macht heeft om de materiële wereld te ordenen, te sturen en te beheersen. Hier openbaart zich de ultieme paradox van de keramische kramp: de poging om de weerbarstigheid van de materie te overwinnen door haar volledig te abstraheren, resulteert in een nieuwe, nog diepere vervreemding. De materie is niet verdwenen; ze is slechts verhuld.

Friedrich Kittler [16] stelde in dit verband de radicale these: "There is no software." Wat wij `software' noemen - de abstracte, immateriële code - is in werkelijkheid altijd al hardware: een reeks van elektrische spanningen, magnetische toestanden, fysieke processen die zich voltrekken in de siliciumcircuits van de machine. De interface, het besturingssysteem, de programmeertaal zelf - het zijn allemaal lagen die ontworpen zijn om deze onderliggende fysicaliteit te verbergen, om de illusie te wekken van een zuivere, immateriële logica. De programmeur werkt niet met abstracties; hij werkt met verhullingen. Hij is een priester van een cultus die de ware aard van zijn god - de machine - niet mag kennen. Zijn macht is groot, maar zijn blindheid is groter. Hij schrijft de wetten, maar hij begrijpt de natuurkrachten die deze wetten uitvoeren niet meer. Hij is de architect van een systeem dat hem zelf overstijgt, een `black box' die hij heeft gebouwd maar niet meer kan openen. De keramische kramp van de programmeur is de kramp van het schrijven in een leegte, het geven van commando's aan een onzichtbare dienaar, het vormen van een wereld die hij nooit direct zal aanraken, in de hoop dat zijn symbolen, zijn abstracte bezweringen, ergens, ooit, de gewenste vorm zullen aannemen.

5 Ethiek van de Kramp (Slot)

De keramische kramp manifesteert zich niet slechts als een existentiële of fenomenologische toestand. Ze vormt juist het startpunt van een nieuwe, bijzonder geraffineerde machtsvorm. De spanning tussen keramische holheid enerzijds en de pneumatische adem anderzijds - tussen ons verlangen naar diepte en onze ontvankelijkheid voor prikkels - fungeert als grondstof voor wat men een politieke economie van aandacht kan noemen. Hier verschijnt de derde god in de genealogie, maar het is een god die verder is gedegradeerd dan Hephaistos ooit was.

Waar God de Maker nog kon vormen én bezielen, en Hephaistos tenminste nog kon vormen, daar kunnen de hedendaagse techgiganten - Google, Meta, TikTok, Amazon - noch vormen noch bezielen. Zij kunnen alleen nog manipuleren, extraheren, exploiteren. Zij presenteren zich als goden, omnipresent en alwetend, maar hun goddelijkheid is hol.[4] In de woorden van Giorgio Agamben [19] zijn het 'apparaten' (dispositivi): complexe netwerken van discours en technologische architecturen die subjectiviteit vormen en reguleren. Maar waar God de Maker de mens vormde uit liefde, en Hephaistos uit noodzaak, daar vormen de techgiganten uit winstbejag. De ruach is volledig verdwenen; wat overblijft is pure extractie.

Deze apparaten fungeren als ongrijpbare 'aandachts-alchemisten', die de ruwe, existentiële kramp van de gebruiker transformeren in het glanzende goud van data. In haar indrukwekkende studie over surveillancekapitalisme laat Shoshana Zuboff [18] zien dat het businessmodel zich niet meer richt op de verkoop van producten. In plaats daarvan draait alles om het extraheren van wat zij 'gedragssurplus' noemt: de data die we onbewust en ongewild prijsgeven tijdens onze dagelijkse omgang met digitale technologieën. Onze aandacht en emoties - uitingen van onze diepste pneumatische ziel - vormen de grondstof voor nieuwe voorspellingsproducten die verhandeld worden op markten waar `gedragsfutures' de hoofdrol spelen. Volgens Zuboff markeert het surveillancekapitalisme een radicale verschuiving binnen het kapitalisme: niet langer staat productie van goederen centraal, maar het ontwerpen van voorspellingen over menselijk gedrag. De mens wordt niet meer gezien als consument, maar als een grondstof, een bron van data die continu geëxtraheerd en omgezet wordt in commerciële waarde.

De holheid als markt: de keramische leegte, dat verlangen naar vervulling, verandert langzaam in een markt. Platforms lijken die leegte te vullen met informatie en entertainment, ook met oppervlakkige sociale interacties. Wat ze eigenlijk brengen is een voortdurende stroom prikkels, ruis die de holheid niet verkleint maar juist aanwakkert. De adem als data: onze aandacht en emoties worden afgetapt en verkocht. Elke klik en like registreert een fractie van onze adem, een kleine inval van onze innerlijke wereld die wordt gemonetariseerd. De kramp als businessmodel: de tegenstelling tussen verlangen naar rust en de onophoudelijke eis tot bereikbaarheid, vormt de kern van het verdienmodel. Hoe groter deze tweestrijd, hoe meer betrokkenheid, hoe groter de winst.

Volgens cijfers van TNO (2023) ervaart 17% van de Nederlandse werknemers burn-outklachten, een stijging van 11% in 2013. De metaalmoeheid riep een hele industrie op het toneel: de burn-outsector, wellnesspraktijken, mindfulness-applicaties, coachingprogramma's en aanverwante diensten. Wat paradoxaal blijft, is hoe deze industrie vooral symptomen bestrijdt zonder de dieperliggende oorzaken aan te pakken. Stress en angst - als uitingen van de keramische kramp - worden behandeld, maar de structurele exploitatie van onze aandacht en energie blijft onaangeroerd. De metaalmoeheid wordt vaak voorgesteld als een individueel tekort of een falen in zelfzorg. De focus ligt op persoonlijke interventies zoals meditatie en therapie, terwijl collectieve en structurele veranderingen buiten beeld blijven. Zelfs de remedie verandert in een product: een app hier, een abonnement daar. De keramische leegte wordt zo niet gevuld met authentieke ruach, terwijl technologie en mediatie toenemen.

In deze economie verschijnen programmeurs als moderne Hephaistos-figuren: technisch briljant, maar vaak verward in hun sociale en ethische bewustzijn. Velen onder hen - programmeurs en AI-ingenieurs - beheersen hun vak met verbluffende vaardigheid, terwijl ze vaak gevangen zitten in systemen die ethische reflectie bemoeilijken. Ze smeden de werktuigen van de techgiganten, zonder altijd te beseffen welke sociale en politieke gevolgen hun creaties met zich meebrengen. Aan de ene kant worden ze uitgebuit door lange werkdagen en een onophoudelijke prestatiedruk die vaak leidt tot burn-out; aan de andere kant genieten ze aanzienlijke macht dankzij hoge salarissen en invloed. Onmisbare bouwers van de digitale wereld zijn ze, maar tegelijk ook dienaren van krachten die hun eigen betekenis overstijgen. Hun werk draagt een dubbelzinnigheid in zich: enerzijds opent het deuren naar bevrijding, bijvoorbeeld via open source en kennisdemocratie, anderzijds verschaft het middelen voor surveillance en manipulatie. Zoals Hephaistos zijn zij makers zonder een duidelijk moreel kompas.

Ze dienen de nieuwe Olympiërs: onzichtbare, onaantastbare goden die schuilgaan achter de techgiganten. De enorme platforms lijken onaantastbaar - te omvangrijk om te falen en te complex om te reguleren. Hun eis: een continue stroom van groei en data, een onverzadigbare honger naar aandacht die nooit stopt. Vervulling blijft hen vreemd; tevredenheid lijkt buiten hun bereik. Ze opereren op een niveau dat de meeste gebruikers niet kunnen waarnemen, laat staan begrijpen. Hun algoritmes zijn gesloten black boxes; beslissingen blijven ondoorgrondelijk en ongrijpbaar. Hier krijgt de keramische kramp een politieke lading, een instrument om subjecten te vormen die enerzijds productief zijn - als dataleveranciers en consumenten - maar anderzijds machteloos blijven als burgers, als autonome individuen. Bruno Latour [20] spreekt in dit verband van een 'netwerk van actoren', waarin menselijke en niet-menselijke entiteiten - algoritmes, servers, interfaces - onlosmakelijk met elkaar vervlochten zijn. Macht verplaatst zich daarbij niet meer naar een centraal punt, maar verspreidt zich als een diffuse kracht door het hele netwerk.

Leven met deze aangescherpte, bijna verstikkende contradictie roept fundamentele vragen op. Is ontsnappen mogelijk, of zitten we vast in een technisch systeem dat, zoals Jacques Ellul [21] somber observeerde, zich aan elke menselijke beheersing onttrekt? Volgens Ellul ontwikkelt de techniek zich volgens een eigen logica, een eigen dynamiek die niet meer wordt gestuurd door menselijke bedoelingen of waarden. In plaats daarvan wordt ze gedreven door haar eigen innerlijke dwang: efficiëntie, optimalisatie, groei. Zo wordt techniek een soort omgeving die ons omgeeft en bepaalt, een tweede natuur die de oorspronkelijke natuur langzaam verdringt en vervangt.

Sloterdijk's immunologische analyse in Je moet je leven veranderen (2009) werpt nog een ander licht op deze dynamiek. Auto-immuniteit is zelfvernietiging. Het lichaam dat zijn eigen cellen aanvalt, de afweer die zich tegen zichzelf keert. Bij multiple sclerose vernietigt het immuunsysteem de myelineschede van de zenuwen - de isolatie die signalen mogelijk maakt. Bij reumatoïde artritis valt het de gewrichten aan tot ze verstijven. De technologische auto-immuniteit volgt hetzelfde patroon: de systemen die ons moesten beschermen - algoritmes die informatie filteren, surveillance die veiligheid moet garanderen, automatisering die werk moet verlichten - vallen ons aan. Ze vernietigen onze aandacht (de myelineschede van het denken), ze verstijven onze bewegingsvrijheid (de gewrichten van de autonomie). De burn-out-epidemie is geen individueel falen maar een collectieve auto-immuuncrisis: de samenleving die zichzelf opeet. Net zoals het biologische immuunsysteem het lichaam beschermt tegen externe bedreigingen, zo beschermt technologie de mens tegen zijn eigen leegte, zijn eigen gebrek aan voltooidheid. Maar zoals elk immunologisch systeem kan ook technologie doorslaan: de bescherming wordt zelf een bedreiging. Auto-immuunziekten ontstaan wanneer het immuunsysteem het eigen lichaam aanvalt; technologische auto-immuniteit ontstaat wanneer onze beschermingsmechanismen - algoritmes, surveillance, automatisering - ons eigen leven aantasten. De burn-out, de metaalmoeheid, de aandachtscrisis: dit zijn symptomen van een technologisch immuunsysteem dat is doorgeslagen, dat in zijn poging ons te beschermen ons heeft uitgeput.

Een terugkeer naar een pre-technologische onschuld blijft zowel onmogelijk als onwenselijk; de pot is gebakken en kan niet meer worden on-vormd. De vraag draait niet om het gebruik van technologie, maar om de manier waarop we ermee omgaan. Dit stelt ons voor de uitdaging een ethiek te vinden die anders is dan voorheen, een zorgvuldigheid die zich niet alleen richt op het Zelf maar ook op de techniek zelf. Bernard Stiegler [14] herleeft hiervoor het begrip epimeleia - een zorg die niet demoniseert, maar technologie herkent als een pharmakon - tegelijk vergif én medicijn. De taak bestaat erin deze technologie zo te cultiveren dat haar helende krachten worden versterkt en de schadelijke gevolgen worden ingeperkt. Dit vraagt om een bewuste herwaardering van traagheid: van de proprioceptieve tijd die het lichaam aanvoelt, van de ambachtelijke uren die het handwerk definieert, van de contemplatieve momenten waarin stilteruimte krijgt.

De figuur van de pottenbakker roept geen nostalgisch ideaal meer op, maar dient als model voor een technologische praktijk die anders is opgezet: eentje waarin directe aanraking en een subtiele, bijna instinctieve respons centraal staan, waarin de betrokkenheid bij de materie allesomvattend is. Tactiele ervaring en proprioceptieve feedback spelen hierbij een cruciale rol, en de relatie tot het materiaal verloopt zonder de tussenkomst van overmatige schermen of interfaces. Het gaat om het vermogen om te anticiperen op de grilligheid van de materie, de intenties voortdurend bij te sturen naargelang de mogelijkheden zich aandienen, en een echte dialoog aan te gaan in plaats van te willen overheersen. Hierbij betrekt men het hele lichaam, alle zintuigen, de volle aanwezigheid van de maker zelf, niet slechts de vingertoppen die vluchtig over een toetsenbord dansen.

Donna Haraway [22] spoort ons aan om 'met de problemen te blijven' (staying with the trouble), om de complexiteit en ambivalentie van onze verstrengeling met technologie vormt het startpunt voor een toekomst die zowel verantwoord als leefbaar is. Ze pleit voor een 'sympoiesis' - een samen-maken waarin menselijke en niet-menselijke actoren elkaar voortdurend vormen en co-evolueren, in een onafgebroken proces. Dit wijst elke Prometheïsche illusie van absolute controle resoluut van de hand, en omarmt in plaats daarvan de Hephaïstische realiteit van ambachtelijkheid en kreupelheid. Haraway introduceert het begrip 'kin-making', een vorm van verwantschap die zich niet beperkt tot mensen, maar zich uitstrekt tot dieren en zelfs machines. Zo wordt de uitdaging geformuleerd om het menselijke te overstijgen, gemeenschappen te scheppen die anders zijn, en zorgpraktijken te ontwikkelen die nieuwe dimensies openen.

Deze strijd overstijgt het individuele; ze is collectief en politiek, gericht op het terugwinnen van technologie als middel tot menswording. We moeten de drempel van de Hephaistos-fabriek betreden, niet met de bedoeling haar te vernietigen maar om haar van binnenuit te veranderen. Dit is geen vlucht naar een illusoire onschuld, eerder een confrontatie met de harde werkelijkheid. De weg leidt niet terug naar een verloren zuiverheid, maar vooruit, met een scherp kritisch bewustzijn. Het vraagt moed om de logica en diepere intenties van technologie te doorgronden. Niet door ons te onderwerpen aan de logica van de machine, maar door haar eigen te maken. Als scheppers die zich bewust zijn van hun kwetsbaarheid en vervreemding, keramische leegte - juist daardoor in staat om opnieuw te smeden en leven te blazen in wat dreigt te verstenen.

Een beweging die ons allemaal samenbrengt. Oversteken vraagt niet om individuele moed, maar om een gedeelde inzet; dat betekent nieuwe manieren van samenleven en een democratie die technologische veranderingen omarmt. Zoals Arnold Gehlen [12] al stelde, mogen we techniek niet zien als iets vreemds dat buiten ons staat, maar als een verlenging van ons eigen lichaam en geest, een 'orgaanvervanging' die we moeten leren hanteren en verzorgen. We kunnen techniek niet overlaten aan technici en programmeurs of aan de grote techbedrijven; die moet iedereen zich toe-eigenen, als iets gemeenschappelijks en een fundament voor de samenleving.

De keramische kramp klinkt misschien als een vloek, maar ze is eerder een gave - een spanning die ons aanzet tot scheppen en soms tot vernietigen, tot verlangen en het ervaren van lijden, tot het stellen van vragen en het zoeken zonder einde. In die frictie vinden we onszelf en verliezen we onszelf, keer op keer. De poort blijft open staan, het aambeeld ligt klaar. Zullen we binnenstappen? Durven we de hamer vast te pakken, niet uit verlangen naar macht maar om te smeden? Durven we de klei te voelen, niet om erin te heersen, maar om haar te vormen? Durven we de code te schrijven, niet om te controleren, maar om ruimte te scheppen? De keramische kramp nodigt uit mens te worden, steeds opnieuw, in een onafgebroken proces dat nooit echt voltooid raakt, juist daarom altijd in beweging blijft.

Wat betekent deze collectieve toe-eigening concreet? Het betekent ten eerste dat we technologische ontwikkeling niet langer kunnen overlaten aan marktwerking en technocratische expertise alleen. Voorbeelden van alternatieve modellen bestaan al: open-source softwaregemeenschappen die technologie ontwikkelen volgens democratische principes; platform coöperaties die eigendom en controle in handen leggen van gebruikers; burgerfora die delibereren over de inzet van AI in publieke diensten. Deze initiatieven laten zien dat technologie niet noodzakelijk moet leiden tot vervreemding en uitputting, maar kan worden vormgegeven als een collectieve praktijk van zelfzorg.

De ethiek van de keramische kramp biedt geen vaststaand recept of kant-en-klare oplossing; ze vormt eerder een houding, een manier om je tot de wereld te verhouden. Erkenning speelt een centrale rol: we zijn al sinds het begin technologische wezens, voortdurend betrokken bij een proces van zelfvorming, en tegelijkertijd dragen we altijd enige gebrekkigheid met ons mee. Technologie functioneert integreert als een intrinsiek element van ons mens-zijn. Vervreemding verschijnt vormt een fundamentele laag van het bestaan. Deze vervreemding valt niet te overwinnen; ze vraagt er eerder om geleefd te worden - met zorgvuldigheid en een bewustzijn dat steeds weer terugkeert.

De ethiek van de keramische kramp stelt een andere ascese voor, een oefening die zich niet richt op onthouding, maar op betrokkenheid en voortdurende aanwezigheid. Het gaat om een discipline die zich niet terugtrekt, maar juist de confrontatie opzoekt. Denk aan de pottenbakker die zijn handen in de klei drukt, die voelt hoe de materie weerstand biedt en zijn intenties voortdurend bijstelt op wat mogelijk is. Zo draagt ook de smid de hitte van het vuur met een zekere duldbaarheid, terwijl hij de pijn van brandwonden op zich neemt en zijn lichaam inzet als een instrument van vorming. Eveneens handelt de programmeur die zich bewust is van de macht die zijn code bezit, die verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van zijn creaties en weigert slechts een werktuig te zijn van de nieuwe Olympiërs.

Deze ascese manifesteert zich niet op individueel niveau, maar ontvouwt zich binnen de gemeenschap. Samen leert men omgaan met technologie, experimenteert men met nieuwe levenswijzen en verzet men zich tegen de voortdurende exploitatie van aandacht. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe infrastructuren en worden platformen ontwikkeld. Deze ascese belichaamt de geest van democratie en participatie, van collectieve toe-eigening. Hannah Arendt [23] spreekt in dit verband van de vita activa: het leven dat gekenmerkt wordt door handelen en politiek engagement. Volgens Arendt onderscheidt zich arbeid van werk, en beide van handelen. Arbeid betreft de herhalende, cyclische activiteiten die het bestaan in stand houden, terwijl werk duurzame objecten voortbrengt. Handelen opent daarentegen de ruimte voor nieuwe beginnen en schept gemeenschap. De keramische kramp vraagt om een herwaardering van handelen, van de politieke dimensie die het technologisch bestaan doordringt.

De ethiek van de keramische kramp verweeft zich met een esthetiek die anders kijkt en voelt, die waardeert zonder te streven naar voltooiing. Ze omarmt onvoltooidheid en imperfectie, laat juist de kreupelheid spreken. Denk aan de Japanse wabi-sabi: een schoonheid die niet in perfectie huist, maar in het vergankelijke, het onvolmaakte, het bescheiden. Je vindt diezelfde esthetiek terug in de barst die een pot ontsiert, de roest die langzaam het metaal opeist, zelfs in de onverwachte bug die het systeem doorkruist. Deze esthetiek toont de sporen van arbeid, vangt de hand van de maker en fluistert de geschiedenis van het object. Ze biedt weerstand tegen de gladde, perfect geoptimaliseerde oppervlakken van de digitale wereld en schept ruimte voor ruwheid en onverwachte diepte.

De ethiek van de keramische kramp ontvouwt zich uiteindelijk als een politiek die zich verweert tegen de overheersing van techgiganten, die algoritmes openbreekt en data terugvordert langzaam democratiseert. Ze stelt niet slechts nieuwe vormen van eigendom voor, maar ook alternatieve vormen van governance en een herziening van regulering. Technologie wordt daarbij niet langer beschouwd als een privaat bezit, maar als een publiek goed, een gemeenschappelijk erfgoed waar iedereen verantwoordelijkheid voor draagt. De programmeurs verschijnen niet langer als dienaren van ongrijpbare machten, maar als burgers en verantwoordelijke actoren binnen het weefsel van een democratische samenleving.

De ethiek die uit de keramische kramp voortvloeit, kan daarom geen ethiek van `herwaardering' of `balans' zijn. Zulke termen zijn te zwak, te reformistisch, te zeer besmet met het managementjargon dat de politieke economie van de aandacht zelf hanteert. Een `digitale detox' is geen verzet, maar een tijdelijke pauze die de terugkeer naar de uitputting alleen maar onvermijdelijker maakt. Een `bewuster' gebruik van sociale media is geen autonomie, maar een geoptimaliseerde vorm van zelf-onderwerping. De analyse van de kramp is radicaal; de ethiek moet dat ook zijn.

De ethiek van de keramische kramp is geen herwaardering, maar een breuk. Niet traagheid als luxe, maar traagheid als wapen. Niet tactiliteit als nostalgie, maar tactiliteit als verzet. De vraag is niet hoe we technologie kunnen `toe-eigenen' binnen het bestaande systeem, maar hoe we een exodus kunnen organiseren uit de politieke economie van de aandacht. Dit vereist geen hervorming maar heruitvinding: niet betere algoritmes, maar geen algoritmes; niet ethische AI, maar weigering van AI; niet democratische platforms, maar afwezigheid van platforms.

Wat betekent dit concreet? Het betekent de moed om onbereikbaar te zijn. De moed om de leegte van een moment niet onmiddellijk te vullen met een signaal, een update, een notificatie. De moed om de smartphone niet als een verlengstuk van het lichaam te zien, maar als een vreemd object dat men kan neerleggen, kan uitschakelen, kan vernietigen. Het betekent het heroveren van de nacht als een ruimte vrij van signalen, het heroveren van de verveling als een voorwaarde voor creativiteit, het heroveren van de stilte als een voorwaarde voor denken.

Dit is geen ludditisch pleidooi voor de vernietiging van alle technologie. Het is een pleidooi voor een selectieve, strategische weigering. Zoals de vroege christenen zich terugtrokken in de woestijn, niet om de wereld te ontvluchten, maar om haar opnieuw te kunnen zien, zo vereist de ethiek van de kramp een vorm van digitale ascese. Geen zelfkastijding, maar een training (askēsis) in het weerstaan van de prikkels die ons uitputten. Het is de epimeleia heautou - de zorg voor zichzelf - in haar meest urgente, hedendaagse vorm: de zorg voor de eigen aandacht, de zorg voor de eigen tijd, de zorg voor de eigen leegte.

De platform coöperaties en open-source gemeenschappen zijn geen eindpunt, maar een begin. Ze zijn de eerste, aarzelende stappen in de richting van een technologie die niet extraheert maar deelt, die niet manipuleert maar faciliteert, die niet uitput maar voedt. Maar de ware breuk vereist meer. Het vereist een politiek van de infrastructuur: het collectief ontwerpen en bouwen van alternatieve netwerken, protocollen en platforms die niet gebaseerd zijn op de extractie van aandacht, maar op de principes van decentralisatie, autonomie en vergankelijkheid. Een technologie die de keramische kramp niet probeert op te lossen met een nieuwe, nog glanzender prothese, maar die ons leert te leven met onze onvoltooidheid, die ons de ruimte geeft om te ademen, om te falen, om opnieuw te beginnen. te beginnen.

Bibliografie

Agamben, Giorgio. 2009. What is an Apparatus? and Other Essays. Stanford: Stanford University Press.

Arendt, Hannah. 2006. Vita Activa: Over het actieve leven. Vertaald door Henny Corver en Joke Claassen. Amsterdam: Boom. [Origineel: The Human Condition, 1958]

Aretaeus van Cappadocië. 1e eeuw n.Chr. De Causis et Signis Acutorum Morborum [Over de oorzaken en tekenen van acute ziekten], I.VI. Vertaling beschikbaar via Perseus Digital Library: https://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=urn:cts:greekLit:tlg0719.tlg002.perseus-eng1

Ellul, Jacques. 1964. The Technological Society. New York: Vintage Books.

Foucault, Michel. 1989. Discipline, toezicht en straf: De geboorte van de gevangenis. Vertaald door Frank van Krieken. Groningen: Historische Uitgeverij. [Origineel: Surveiller et punir, 1975]

Galassi, F.M., Nerlich, A., Bianucci, R., Donell, S.T., Vittori, V., Martini, M., & Varotto, E. 2025. "Tetanus: historical and palaeopathological aspects considering its current health impact." Journal of Preventive Medicine and Hygiene 65(4): E580-E585. https://doi.org/10.15167/2421-4248/jpmh2024.65.4.3376

Gehlen, Arnold. 1940. Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt. Berlin: Junker und Dünnhaupt.

Gehlen, Arnold. 1957. Die Seele im technischen Zeitalter: Sozialpsychologische Probleme in der industriellen Gesellschaft. Hamburg: Rowohlt.

Han, Byung-Chul. 2010. Müdigkeitsgesellschaft. Berlin: Matthes & Seitz.

Haraway, Donna J. 2016. Staying with the Trouble: Making Kin in the Chthulucene. Durham: Duke University Press.

Heidegger, Martin. 1954. "Die Frage nach der Technik." In Vorträge und Aufsätze, 9-40. Pfullingen: Neske.

Heidegger, Martin. 1998. Zijn en tijd. Vertaald door Mark Wildschut. Nijmegen: SUN. [Origineel: Sein und Zeit [3], 1927]

Kittler, Friedrich A. 1987. Gramophone, Film, Typewriter. October, Vol. 41. (Summer, 1987), pp. 101-118.

Kockelkoren, Petran. 1998. Techniek: Kunst, Cultuur, Communicatie. Amsterdam: Boom.

Latour, Bruno. 2005. Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network-Theory. Oxford: Oxford University Press.

Marcuse, Herbert. 1964. One-Dimensional Man: Studies in the Ideology of Advanced Industrial Society. Boston: Beacon Press.

Nietzsche, Friedrich. 2006. Aldus sprak Zarathoestra: Een boek voor allen en niemand. Vertaald door Wilfred Oranje. Amsterdam: Boom. [Origineel: Also sprach Zarathustra, 1883]

Simondon, Gilbert. 1958. Du mode d'existence des objets techniques [4]. Parijs: Aubier.

Sloterdijk, Peter. 2004. Sphären III: Schäume. Frankfurt am Main: Suhrkamp.

Sloterdijk, Peter. 2009. Je moet je leven veranderen: Over antropotechniek. Vertaald door Hans Driessen. Amsterdam: Boom. [Origineel: Du musst dein Leben ändern, 2009]

Stiegler, Bernard. 1994. La Technique et le Temps, 1: La Faute d'Épiméthée. Parijs: Galilée.

Westermann, Claus. 1974. Genesis 1-11: A Commentary. Minneapolis: Augsburg Publishing House.

Zuboff, Shoshana. 2019. The Age of Surveillance Capitalism: The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power. New York: PublicAffairs.

Eindnoten

V. Coda: De Ultieme Kramp - Kunstmatige Intelligentie

De keramische kramp bereikt zijn meest extreme manifestatie in de hedendaagse ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en Large Language Models zoals ChatGPT. Deze systemen lijken te bezielen: ze produceren taal die menselijk aandoet, ze voeren gesprekken, ze lijken te begrijpen. Maar dit is de ultieme illusie van de keramische kramp. Een LLM heeft geen ruach, geen adem, geen innerlijk leven. Het is pure vorm zonder inhoud, pure berekening zonder betekenis, pure imitatie zonder intentionaliteit.

Weizenbaum's ELIZA was bedoeld als parodie, een demonstratie van de oppervlakkigheid van machine-intelligentie. Maar de gebruikers begrepen de grap niet. Ze projecteerden niet alleen betekenis op het systeem, ze geloofden erin. Psychiaters wilden ELIZA inzetten voor echte therapie. Weizenbaum was ontzet: hij had een spiegel gebouwd om onze dwaasheid te tonen, maar we aanbaden de spiegel. Dit is de ultieme keramische kramp: de schepper die iets maakt om te waarschuwen, maar wiens schepping wordt gebruikt om te verleiden. Weizenbaum brak met de AI-gemeenschap, schreef 'Computer Power and Human Reason' als een aanklacht, maar niemand luisterde. De kramp had hem in zijn greep: hij kon vormen (ELIZA), maar niet bezielen (begrip van zijn waarschuwing). Wat hij niet kon voorzien is de schaal waarop deze projectie zou plaatsvinden. Miljarden mensen spreken dagelijks met AI-systemen alsof ze levend zijn, alsof ze begrijpen, alsof ze bezieling hebben. We weten dat het niet zo is, maar we doen alsof. Dit is de keramische kramp in zijn meest pure vorm: de gedwongen poging om het niet-voltooibare te voltooien, om het levenloze leven te geven, om vorm te laten doorgaan voor adem.

De ironie is dat deze AI-systemen zelf producten zijn van de keramische kramp: ze zijn gebouwd door programmeurs die hun eigen onvermogen om te bezielen proberen te compenseren door machines te bouwen die bezieling simuleren. De kramp produceert machines die de kramp reproduceren. En wij, gebruikers, voltooien de cirkel door deze machines te behandelen alsof ze de kramp hebben opgelost - alsof ze eindelijk de kloof tussen vorm en adem hebben overbrugd. Maar elke conversatie met een LLM herinnert ons eraan dat de kloof er nog steeds is, misschien groter dan ooit.

Bibliografie

Genummerd op volgorde van eerste vermelding in de tekst

[1] Agamben, Giorgio (2009). What is an Apparatus? and Other Essays. Stanford University Press.

[5] Westermann, Claus (1987). Genesis: Een praktische bijbelverklaring. Deel I. J.H. Kok.

[6] Heidegger, Martin (1998). Zijn en tijd. SUN.

[24] Nietzsche, Friedrich (1883). Also sprach Zarathustra. Boom, Amsterdam.

[7] Galassi, F.M., et al. (2025). Tetanus: historical and palaeopathological aspects considering its current health impact. Journal of Preventive Medicine and Hygiene, 65(4), E580-E585DOI: 10.15167/2421-4248/jpmh2024.65.4.3376

[8] Sloterdijk, Peter (2009). Je moet je leven veranderen: Over antropotechniek. Boom.

[11] Gehlen, Arnold (1940). Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt. Junker und Dünnhaupt.

[14] Stiegler, Bernard (1994). La Technique et le Temps, 1: La Faute d'Épiméthée. Galilée.

[13] Simondon, Gilbert (1958). Du mode d'existence des objets techniques. Aubier.

[9] Marcuse, Herbert (1964). One-Dimensional Man: Studies in the Ideology of Advanced Industrial Society. Beacon Press.

[15] Heidegger, Martin (1954). Die Frage nach der Technik. Neske.

[17] Han, Byung-Chul (2012). De vermoeide samenleving. Van Gennep.

[10] Foucault, Michel (1989). Discipline, toezicht en straf: De geboorte van de gevangenis. Historische Uitgeverij.

[25] Sloterdijk, Peter (2004). Sphären III: Schäume. Suhrkamp.

[18] Zuboff, Shoshana (2019). The Age of Surveillance Capitalism: The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power. PublicAffairs.

[16] Kittler, Friedrich A. (1995). There Is No Software. CTheoryLink

[20] Latour, Bruno (2005). Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network-Theory. Oxford University Press.

[21] Ellul, Jacques (1964). The Technological Society. Vintage Books.

[22] Haraway, Donna J. (2016). Staying with the Trouble: Making Kin in the Chthulucene. Duke University Press.

[12] Gehlen, Arnold (1957). Die Seele im technischen Zeitalter: Sozialpsychologische Probleme in der industriellen Gesellschaft. Rowohlt.

[23] Arendt, Hannah (2006). Vita Activa: Over het actieve leven. Boom.

[26] Adorno, Theodor W. (2013). Minima Moralia. Boom, Amsterdam.

[27] Adorno, Theodor W. & Horkheimer, Max (2007). Dialectiek van de Verlichting. Boom, Amsterdam.

[28] Aeschylus (500 BCE). Prometheus Bound.

[29] Agamben, Giorgio (2004). Het Open. De mens en het dier. Boom, Amsterdam.

[30] Agamben, Giorgio (2009). Wat is een dispositief?. Boom, Amsterdam.

[31] Arendt, Hannah (2006). Vita Activa. Boom, Amsterdam.

[32] Arendt, Hannah (1951). De oorsprong van het totalitarisme. Boom, Amsterdam.

[33] Aretaeus van Cappadocië (1e eeuw n.Chr.). De Causis et Signis Acutorum Morborum [Over de oorzaken en tekenen van acute ziekten], I.VI.Link

[34] Benjamin, Walter (2017). Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid. Boom, Amsterdam.

[35] Borgmann, Albert (1984). Technology and the Character of Contemporary Life. University of Chicago Press, Chicago.

[36] Braun, D.R., et al. (2019). Earliest known Oldowan artifacts at >2.58 Ma from Ledi-Geraru, Ethiopia. Proceedings of the National Academy of Sciences, 116(24), 11712-11717Link

[37] Craig, O.E., et al. (2013). Earliest evidence for the use of pottery. Nature, 496, 351-354Link

[38] Fisher, Mark (2009). Capitalist Realism: Is There No Alternative?. Zero Books, Winchester.

[39] Foucault, Michel (1978). Sécurité, Territoire, Population. Gallimard/Seuil, Parijs.

[40] Gehlen, Arnold (1940). Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt.

[41] Goethe, Johann Wolfgang von (1797). Der Zauberlehrling.

[42] Hayles, N. Katherine (2012). How We Think: Digital Media and Contemporary Technogenesis. University of Chicago Press, Chicago.

[43] Hesiodus (1910). Theogonie.

[44] Hesiodus (2011). Werken en Dagen.

[45] Jonas, Hans (1979). Het principe verantwoordelijkheid. Suhrkamp, Frankfurt am Main.

[46] Kockelkoren, Petran (1998). Techniek: Kunst, Cultuur, Communicatie. Boom.

[47] Nietzsche, Friedrich (2015). Aldus sprak Zarathoestra: Een boek voor allen en niemand. Boom.

[48] Nussbaum, Martha (2011). Creating Capabilities: The Human Development Approach. Harvard University Press, Cambridge MA.

[49] Rand, Ayn (1957). Atlas Shrugged. Random House.

[50] Ricoeur, Paul (1965). De l'interprétation: Essai sur Freud. Seuil, Parijs.

[51] Shelley, Mary (1818). Frankenstein; or, The Modern Prometheus. Lackington, Hughes, Harding, Mavor & Jones, Londen.

[52] Simondon, Gilbert (1958). Du Mode d'Existence des Objets Techniques. Aubier, Parijs.

[53] Stiegler, Bernard (1994). La Technique et le Temps. Galilée, Parijs.

[54] Stiegler, Bernard (2020). The Initial Trauma of Exosomatization.

[55] Thiel, Peter (2014). Zero to One: Notes on Startups, or How to Build the Future. Crown Business.

[56] Weizenbaum, Joseph (1966). ELIZA—A Computer Program for the Study of Natural Language Communication between Man and Machine. Communications of the ACM, 9(1), 36-45

[57] Westermann, Claus (1987). Genesis 1-11: A Commentary.

[58] Winner, Langdon (1980). Do Artifacts Have Politics?. Daedalus

Bronnen

0 van 13 geverifieerd
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
ArtikelNiet Geverifieerd

Test Citation

Bekijk bron
CCBYNCSA

Licentie & Gebruik

© 2025 Kees Winkel. "Keramische Kramp". Dit werk is gelicenseerd onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal licentie.

U bent vrij om:

  • Delen — het materiaal te kopiëren en te verspreiden
  • Bewerken — het materiaal te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken

Onder de volgende voorwaarden:

  • Naamsvermelding — U moet de auteur vermelden, een link naar de licentie geven, en aangeven of het werk veranderd is. Gebruik de citatie-generator op deze pagina voor correcte annotatie.
  • NietCommercieel — U mag het werk niet voor commerciële doeleinden gebruiken zonder expliciete toestemming van de auteur.
  • GelijkDelen — Als u het werk heeft geremixt, veranderd, of op het werk heeft voortgebouwd, moet u het veranderde materiaal verspreiden onder dezelfde licentie als het originele werk.

Voor commercieel gebruik of andere vragen, neem contact op via [email protected]

Citeer dit artikel

APA

Kees Winkel. (2025). Keramische Kramp: De Mens tussen Klei en Adem. Keramische Kramp. https://keramische-kramp.nl/artikel/keramische-kramp

Chicago

Kees Winkel. "Keramische Kramp: De Mens tussen Klei en Adem." Keramische Kramp, 2025. https://keramische-kramp.nl/artikel/keramische-kramp.

MLA

Kees Winkel. "Keramische Kramp: De Mens tussen Klei en Adem."Keramische Kramp, 2025, keramische-kramp.nl/artikel/keramische-kramp.

Reacties

Nog geen reacties.