Prolegomena: In de Smidse van Hephaistos
I. De Kreupele God en de Menselijke Conditie
Er is een god die van de Olympus viel. Negen dagen tuimelde hij door de lucht, een goddelijk lichaam in vrije val, tot hij neerkwam op het eiland Lemnos, gebroken, kreupel, voor altijd gekenmerkt door het litteken van zijn val. Zijn naam is Hephaistos, en hij is de proto-god van de menselijke conditie – niet omdat hij de mens liefheeft zoals Prometheus deed, niet omdat hij de mens heeft geschapen zoals sommige mythen beweren, maar omdat hij is wat de mens is: gevallen maar scheppend, kreupel maar machtig, dienend maar onwetend, makend wat hij niet begrijpt en lijdend aan wat hij maakt.
In de smidse van Hephaistos, daar waar het vuur brandt en de hamer op het aambeeld slaat, daar waar het metaal gloeit en de vonken vliegen, daar ontvouwt zich het drama van de menselijke zelfproductie. Want de mens is geen voltooide schepping die eens uit de handen van een almachtige maker kwam zoals een kunstwerk uit het atelier van een meester. Hij is geen bārā', geen schepping uit het niets, geen goddelijk fiat dat in één ademtocht het volmaakte uit het onbestaande trekt. Hij is yāṣar – gekneed, geboetseerd, gevormd uit klei die al bestond, een substantie die nog geen subject was, een mogelijkheid die nog niet gewekt was tot werkelijkheid. En in die vormgeving, in dat kneden en boetseren, ligt een fundamentele waarheid verborgen die als een onzichtbare inscriptie in het weefsel van ons zijn is gegraveerd: de mens is geen voltooide schepping, maar een vormingsproces dat nooit tot rust komt, een project dat nooit wordt afgesloten, een vraag die nooit definitief beantwoord wordt.
Maar hier, precies hier in het hart van deze onvoltooidheid, ontstaat iets fataal en wonderlijk tegelijk. De mens die weet dat hij klei is, die voelt hoe zijn lichaam moe wordt en pijn lijdt, die ziet hoe anderen sterven en beseft dat ook hij zal vergaan – deze mens draagt tegelijkertijd de ruach in zijn neusgaten, de goddelijke adem, de wind die leven geeft. Hij is gemaakt, zo vertelt de mythe, "naar het beeld en de gelijkenis van God" (tselem Elohim). En in dit besef, in deze dubbelheid van klei en adem, van eindigheid en goddelijkheid, ontstaat de meest gevaarlijke en meest productieve zelfmisvatting in de geschiedenis van het bewustzijn: de mens begint zichzelf te zien als een bijna-god, als een onvoltooide godheid die slechts één stap, één sprong, één technologische doorbraak verwijderd is van voltooiing, van goddelijkheid, van onsterfelijkheid.
Dit is de geboorte van wat wij de goddelijke ambitie noemen – de oer-hybris die de mens tot het meest creatieve en het meest destructieve wezen op aarde maakt. Hij vergeet dat zijn onvoltooidheid niet een toevallig gebrek is dat verholpen kan worden, niet een bug in het systeem die gepatcht kan worden, maar zijn wezen zelf, de kern van wat hem mens maakt. Hij begint te geloven dat de klei een fout is, een tijdelijke toestand, een gevangenis waaruit hij moet ontsnappen op weg naar zijn ware bestemming. En zo wordt hij Hephaistos: de gevallen god die in zijn smidse probeert terug te smeden wat de val heeft gebroken, die wapens maakt om de hemel te bestormen, die automata creëert om zijn eigen kreupelheid te overwinnen, die machina ex deus produceert – machines uit goddelijke macht – waarvan zelfs hij, de maker, de consequenties niet kent.
II. De Keramische Kramp: Metafysica van de Spanning
Wat wij de keramische kramp noemen, is de naam voor de fundamentele, onophefbare spanning die het menselijk bestaan doordringt als een voortdurende, pijnlijke vibratie. Het is de existentiële contractie van een wezen dat gedwongen is te leven in een toestand van permanente incompletie, een wezen dat nooit rust vindt omdat rust voltooiing zou betekenen, en voltooiing dood. De term is niet metaforisch bedoeld in de triviale zin van een retorische versiering, maar in de diepste, meest letterlijke betekenis: hij draagt over (meta-pherein) de werkelijkheid van het menselijk zijn van het abstracte naar het voelbare, van het ontologische naar het lichamelijke.
Een kramp is een onvrijwillige samentrekking, een pijnlijke contractie die zich opdringt zonder toestemming en die het lichaam tot een gevangene van zichzelf maakt. De keramische kramp is precies dat, maar dan getransponeerd naar het niveau van het bestaan zelf: de mens als een wezen dat zichzelf tegenwerkt, dat tegelijkertijd vooruit wil en wordt tegengehouden, dat verlangt naar voltooiing maar weet – of zou moeten weten – dat voltooiing zijn einde zou betekenen.
Maar de mens is, zoals Arnold Gehlen heeft laten zien, een Mängelwesen – een wezen van gebrek. Hij heeft geen klauwen om te jagen, geen vacht om warm te blijven, geen instincten om hem automatisch te leiden. Hij is biologisch onvoltooid, kwetsbaar, afhankelijk van wat buiten hemzelf ligt. Dit is geen mythe, maar een biologisch feit.
De mens, en hier begint de tragiek, interpreteert deze biologische kwetsbaarheid niet als een conditie die gedragen moet worden, maar als een probleem dat opgelost moet worden. Hij ziet zijn gebrek niet als wat hem mens maakt, maar als wat hem nog niet god maakt. De biologische onvoltooidheid wordt getransformeerd tot een existentiële onvoltooidheid, een gebrek aan zijn, een afstand tot het goddelijke die overbrugd moet worden. De pot is een antwoord op de biologische kwetsbaarheid – hij bewaart voedsel, hij overwint de winter. Maar de pot wordt ook een symbool van de existentiële onvoltooidheid – een vat dat wacht op adem, een vorm die wacht op voltooiing. En zo begint de mens niet alleen te maken om te overleven, maar te maken om te transcenderen, niet alleen te compenseren maar te overwinnen, niet alleen de winter te trotseren maar de tijd zelf te beheersen.
De eerste technologie, de oer-technologie waarin de mens zichzelf herkent en waarin hij zijn eigen conditie gespiegeld ziet, is de pottenbakkerij. De pottenbakker neemt vormeloze klei en dwingt haar, door druk en rotatie, door geduld en geweld, in een vorm. Hij maakt van het nutteloze iets nuttigs, van het chaotische iets geordends, van de mogelijkheid een werkelijkheid. Maar – en dit is de cruciale waarheid – de pottenbakker is zelf van klei. Hij vormt wat hij zelf is. Hij kneedt zijn eigen substantie. Hij is tegelijkertijd het subject dat vormt en het object dat gevormd wordt.
Dit is geen eenrichtingsverkeer waarin een autonoom subject een passief object bewerkt. Het is een wederkerige, dialectische beweging, een dans waarin beide partners elkaar leiden en volgen: mens vormt technologie vormt mens. De pot die de pottenbakker maakt, maakt op haar beurt de pottenbakker. Zijn handen worden gevormd door het kneden, zijn oog door het kijken, zijn geest door het anticiperen van de vorm die nog komen moet. Dit is wat wij technogenese noemen – niet technologie als extern hulpmiddel, maar als constitutief element van het menselijk worden, als de wederkerige vorming waarin mens en techniek elkaar produceren in een oneindige spiraal van co-evolutie.
Hephaistos, in zijn smidse op Lemnos, is de belichaming van deze technogenese. Hij smeedt niet alleen metaal; hij smeedt zichzelf. Elke slag van de hamer op het aambeeld is een slag op zijn eigen wezen. Elke vorm die hij uit het gloeiende metaal trekt, trekt tegelijkertijd een vorm uit hemzelf. Hij is de maker die gemaakt wordt door zijn maakwerk, de schepper die geschapen wordt door zijn scheppingen, de god die gevangen zit in de logica van zijn eigen ambacht.
III. Tussen Klei en Adem: De Twee Polen van het Bestaan
De mens leeft tussen twee polen die hem constitueren en tegelijkertijd verscheuren:
De Klei – het aardse, het materiële, het eindige, het zware. Dit is de zwaarte van het lichaam dat altijd moe wordt, altijd honger heeft, altijd pijn voelt. Dit is de weerstand van de wereld die zich niet naar onze wil voegt, die haar eigen wetten heeft, die onverschillig is voor onze verlangens. Dit is de onvermijdelijkheid van de dood die aan het einde van elke weg wacht, geduldig, zeker, onwrikbaar. De klei zegt: "Je bent dit, en niet meer dan dit. Je bent stof, en tot stof zul je wederkeren."
De Adem – het goddelijke, het spirituele, het oneindige, het lichte. Dit is de lichtheid van het bewustzijn dat kan dromen van wat nog niet is, dat kan hopen op wat misschien nooit zal zijn, dat kan verlangen naar wat onbereikbaar is. Dit is het verlangen naar transcendentie, de hoop op betekenis, de drang om verder te reiken dan de grenzen van het lichaam en de tijd. De adem zegt: "Je bent meer dan dit. Je kunt worden wat je nog niet bent. Je draagt het goddelijke in je."
De mens is noch het een noch het ander. Hij is de spanning tussen beide, de onmogelijke synthese, de paradox die niet opgelost kan worden. Hij is veroordeeld tot deze spanning, tot deze kramp, tot dit voortdurende heen-en-weer tussen wat hij is en wat hij verlangt te zijn. En in die spanning ontstaat alles wat menselijk is: het verlangen dat nooit gestild wordt, de creativiteit die nooit rust, de technologie die nooit voltooid is, het geloof dat nooit zekerheid wordt, de macht die nooit absoluut wordt, de vervreemding die nooit overwonnen wordt.
Hephaistos kent deze spanning als geen ander. Hij is een god (adem, onsterfelijkheid, scheppende macht), maar hij is kreupel (klei, gebrek, beperking). Hij is gevallen uit de hemel maar kan niet sterven. Hij is gevangen tussen zijn goddelijke vermogen om te scheppen en zijn menselijke onvermogen om te beheersen wat hij schept. Hij is de levende paradox, de belichaming van de keramische kramp in goddelijke gedaante.
IV. De Goddelijke Misvatting: De Ladder naar de Hemel
Maar de mens accepteert zijn conditie niet. Hij kan het niet. De spanning is te pijnlijk, de kramp te ondraaglijk. En dus begint hij te geloven dat de klei niet constitutief is maar toevallig, niet essentieel maar tijdelijk, niet zijn wezen maar zijn gevangenis. Hij begint zichzelf te zien als een god die per ongeluk in een sterfelijk lichaam is beland, als een geest die gevangen zit in materie, als een oneindige ziel die opgesloten zit in een eindig vat.
Deze zelfmisvatting is de motor van de geschiedenis. Want zodra de mens gelooft dat hij in wezen god is, dat hij slechts tijdelijk beperkt is door zijn lichaam, zijn sterfelijkheid, zijn eindigheid, begint hij te zoeken naar de ladder waarmee hij kan terugkeren naar zijn ware staat, naar de hemel waar hij thuishoort, naar de voltooiing die hem toekomt.
Die ladder is technologie. Elke technologische innovatie is een sport op deze ladder, een stap dichter bij de hemel, een poging om de klei te overstijgen en pure adem te worden:
De pot laat de mens de tijd beheersen. Door voedsel te bewaren overwint hij de seizoenen, trotseert hij de winter, maakt hij zich onafhankelijk van de willekeur van de natuur. Dit is de eerste goddelijke daad: het scheppen van orde uit chaos, van duur uit vluchtigheid.
Het wapen geeft hem macht over leven en dood. Hij wordt zelf de uitdeler van het lot, de beslisser over wie leeft en wie sterft – een prerogatief die eerst alleen aan de goden toekwam.
De geneeskunde stelt de dood uit, verlengt het leven, overwint ziektes die eerst als goddelijke straffen werden gezien. Elke medische doorbraak is een stap dichter bij de onsterfelijkheid.
De computer vergroot het denken, externaliseert het geheugen, overstijgt de beperkingen van het biologische brein. Met de computer wordt de mens een wezen met een oneindig geheugen, een onvermoeibare rekenkracht.
De kunstmatige intelligentie creëert een nieuwe, superieure intelligentie. De mens wordt zelf schepper, niet langer geschapene maar scheppende god, niet langer beeld van God maar zelf de maker van nieuwe intelligentie, nieuwe bewustzijns, nieuwe goden.
Maar – en hier openbaart zich de tragiek in al haar duistere schoonheid – elke sport op de ladder maakt de ladder hoger. Elke technologische vooruitgang lost een probleem op, maar creëert nieuwe problemen, nieuwe beperkingen, nieuwe vormen van onvoltooidheid die nog pijnlijker zijn omdat ze op een hoger niveau liggen. De ladder naar de hemel blijkt een tredmolen te zijn. De mens klimt en klimt, hijgend, zwetend, uitgeput, maar de hemel blijft altijd net buiten bereik, altijd één stap verder.
Dit is de les van Hephaistos. Hij maakt wonderlijke dingen – het paleis van de goden, de wapens van Achilles, de automaat Talos – maar elk van deze creaties brengt nieuwe problemen, nieuwe complicaties, nieuwe vormen van lijden. Pandora, die hij maakt op bevel van Zeus, is prachtig maar draagt de doos met alle kwaden van de wereld. De ketenen die hij smeedt voor Prometheus zijn onbreekbaar, maar hij moet daarmee zijn eigen collega, de andere maker, de vuurbrenger, in boeien slaan. Hephaistos is de maker die lijdt aan zijn eigen maakwerk, de schepper die gevangen zit in zijn eigen scheppingen. Gehlen heeft gelijk: de mens moet technologie maken om te overleven. Maar hij heeft niet het laatste woord. Want de mens maakt niet alleen om te overleven, maar om god te worden. En dat is waar de tragiek begint.
V. Machina ex Deus: De Onwetende Maker
Hier ligt het donkerste en meest actuele aspect van de Hephaistos-metafoor. Hephaistos is niet alleen de maker die lijdt aan wat hij maakt; hij is ook de maker die niet weet wat hij maakt. Hij produceert machina ex deus – machines uit goddelijke macht – waarvan zelfs hij, de maker, de consequenties niet kent, niet kan kennen, niet wil kennen.
Dit is de omkering van deus ex machina, de god uit de machine die in het klassieke theater plotseling verschijnt om alle problemen op te lossen. Bij Hephaistos is het de machine uit de god – de technologie die voortkomt uit goddelijke macht maar waarvan de consequenties onkenbaar zijn, zelfs voor de maker zelf. Want Hephaistos maakt niet autonoom. Hij maakt op bevel. Zeus beveelt hem Pandora te maken, en hij maakt haar. Thetis vraagt hem wapens voor Achilles, en hij smeedt ze. Hij maakt zonder te vragen waarvoor, zonder te weten wat de gevolgen zullen zijn, zonder morele overweging. Hij is de perfecte belichaming van wat Agamben het dispositief noemt – het mechanisme dat gedrag vangt, oriënteert en bepaalt zonder zelf een moreel subject te zijn.
Dit is de moderne conditie. De wetenschapper die de atoomboom ontwikkelt, weet niet hoe hij gebruikt zal worden. De ingenieur die sociale media ontwerpt, weet niet dat hij verslavingsmachines creëert. De programmeur die AI-systemen bouwt, begrijpt niet hoe ze tot hun beslissingen komen. Zij zijn allen Hephaistos: makers met goddelijke macht maar zonder kennis van de consequenties, scheppers die dienen zonder te begrijpen, ambachtslieden die gevangen zitten in de logica van hun ambacht.
En hier ligt de dialectiek van macht en vervreemding die dit boek onderzoekt. Want Hephaistos heeft macht – de macht om te maken, om te scheppen, om de wereld te transformeren. Maar tegelijkertijd is hij machteloos. Hij kan niet weigeren te maken wat hem opgedragen wordt. Hij kan niet beheersen hoe zijn creaties gebruikt worden. Hij kan niet ontsnappen aan de consequenties van zijn eigen maakwerk. Zijn macht is tegelijkertijd zijn vervreemding. Hoe meer hij maakt, hoe verder hij zich vervreemdt van wat hij maakt. Hoe machtiger zijn creaties, hoe minder hij ze beheerst.
VI. De Technogenese als Zelfvorming: De Drie Regimes
De geschiedenis van de mensheid is de geschiedenis van zijn pogingen om zichzelf vorm te geven, om de keramische kramp te beheersen, om een antwoord te vinden op de onmogelijke vraag van zijn bestaan. Het is een geschiedenis van antropotechnieken – technieken waarmee de mens zichzelf produceert, disciplineert, transformeert. Elke technologie is een antwoord op de keramische kramp, een poging om de spanning tussen klei en adem te beheersen. En elke technologie vormt op haar beurt de mens die haar heeft uitgevonden. Deze dialectiek manifesteert zich in drie archetypische momenten, drie fasen van toenemende abstractie en vervreemding:
De Pottenbakker werkt met klei, met de materie die hij zelf is. Zijn handen rusten in de klei, voelen de weerstand, de vochtigheid, de textuur. Zijn kramp is nog direct, tastbaar, concreet. De klei buigt niet altijd naar zijn wil; zij heeft haar eigen logica. De pottenbakker leert dat scheppen een dialoog is, een onderhandeling met de materie. En in het maken van de pot wordt hij zelf gevormd. Hij wordt een pottenbakker, een mens wiens wereld gestructureerd is door de logica van de klei.
De Smid werkt met metaal, met een materie die harder is, weerbarstiger, gevaarlijker. Het metaal moet eerst gebroken worden voordat het gevormd kan worden. Het moet verhit worden tot het gloeit, geslagen worden tot het buigt, afgekoeld worden tot het hard wordt. De kramp van de smid is pijnlijker, gewelddadiger. Zijn werk laat littekens achter, op het metaal en op hemzelf. De smid leert dat scheppen een strijd is, een gevecht tegen de weerbarstigheid van de wereld. En in het smeden van wapens en gereedschappen wordt hij zelf gesmeed. Hij wordt hard, sterk, maar ook afgestompt, ongevoelig.
De Programmeur werkt met code, met pure informatie, met symbolische structuren die geen gewicht hebben, geen temperatuur, geen weerstand in de fysieke zin. Zijn kramp is onzichtbaar, ongrijpbaar, maar alomtegenwoordig. De code lijkt volkomen volgzaam, maar is tegelijkertijd meedogenloos: één fout en het hele systeem stort in. De programmeur leert dat scheppen een abstractie is, een poging om de wereld te reduceren tot logica, tot algoritmes. En in het schrijven van code wordt hij zelf herschreven. Hij begint te denken in loops en functies, in binaire logica. De technologie van de code produceert de posthumane mens, het wezen dat niet langer weet waar zijn eigen denken ophoudt en waar de machine begint.
In elke fase wordt de kramp intenser maar ook onzichtbaarder. De vervreemding neemt toe met elke stap, maar ook de macht. En daarmee ook het gevaar.
Hephaistos doorloopt al deze fasen. Hij is pottenbakker (hij helpt bij het vormen van de mens uit klei), smid (hij smeedt in zijn vuurhaard op Lemnos), en proto-programmeur (hij maakt automaten zoals Talos, mechanische wezens die hun eigen logica volgen). Hij is de archetypische homo faber, de maker die zichzelf maakt door te maken.
VII. De Tragiek van de Voltooiing: Zelfvernietiging als Verlossing
En hier ligt de donkerste waarheid van de goddelijke ambitie, de waarheid die de mens het liefst zou willen ontkennen maar die onvermijdelijk is: als de mens zou slagen in zijn poging om god te worden, zou hij ophouden mens te zijn. Voltooiing is niet verlossing, maar zelfvernietiging. De hemel waar hij naar streeft is zijn eigen graf.
Een god heeft geen verlangen meer, want verlangen impliceert gebrek. Een god heeft geen angst meer, want angst impliceert kwetsbaarheid. Een god heeft geen kramp meer, want de kramp is de spanning tussen zijn en kunnen-zijn. Een god is voltooid, en dus dood in de menselijke zin van het woord. Een god leeft niet in de tijd, want tijd impliceert verandering. Een god verlangt niet, want verlangen impliceert beweging naar wat nog niet is.
Een voltooide mens is dus geen mens meer. Hij is iets anders – een steen die niet voelt, een machine die niet lijdt, een abstractie die niet leeft. De voltooiing waar de mens naar streeft is zijn eigen ontmenselijking, de vernietiging van precies wat hem mens maakt: de onvoltooidheid, de spanning, de kramp, het verlangen, de angst, de hoop, het lijden, de tijd.
Dit is de tragiek van alle utopische projecten, religieus of seculier, spiritueel of technologisch. De hemel van het christendom, het paradijs van de islam, de klasseloze maatschappij van het communisme, het Duizendjarige Rijk van het nazisme, de digitale onsterfelijkheid van het transhumanisme – ze beloven allemaal verlossing, maar wat ze werkelijk beloven is de vernietiging van het menselijke. Want wat ze willen vernietigen is precies de onvoltooidheid, de spanning, de kramp die de mens mens maakt.
Hephaistos kent deze tragiek. Hij is onsterfelijk, maar zijn onsterfelijkheid is geen zegen maar een vloek. Hij kan niet sterven, maar hij kan ook niet voltooien. Hij blijft eeuwig in zijn smidse, eeuwig makend, eeuwig lijdend aan wat hij maakt, eeuwig gevangen in de keramische kramp. Zijn onsterfelijkheid maakt zijn lijden alleen maar tragischer, want hij kan er niet aan ontsnappen door te sterven.
VIII. De Vraag die Blijft: In de Smidse
Aan het einde van deze prolegomena, aan de drempel van het onderzoek dat nu begint, blijft de vraag staan die alle andere vragen omvat: Wat doen we met de keramische kramp? Kunnen we hem overwinnen? Moeten we dat willen? Of moeten we leren hem te dragen?
De poort van de Hephaistos-smidse staat open. Het aambeeld wacht, geduldig en onverschillig. De hamer ligt klaar, zwaar en koud. Het vuur brandt, heet en hongerig. De vraag is niet of we zullen smeden – want dat moeten we, dat is onze conditie, ons lot, ons wezen. De vraag is of we kunnen smeden wetende dat we zelf gesmeed worden, of we de pot kunnen maken wetende dat we zelf de pot zijn, of we de code kunnen schrijven wetende dat de code ons schrijft.
Dit boek is een poging om in de smidse van Hephaistos te kijken, om te begrijpen hoe de mens zichzelf smeedt door technologie, hoe hij macht schept en daardoor vervreemd raakt, hoe hij naar de hemel streeft en daardoor zijn eigen menselijkheid bedreigt. Het is een onderzoek naar de dialectiek van scheppen en geschapen worden, van macht en machteloosheid, van bevrijding en vervreemding, van goddelijke ambitie en menselijke tragiek.
Het is geen onderzoek met gemakkelijke antwoorden, geen filosofie met simpele oplossingen, geen theorie met heldere recepten. Het is een poging om de kramp te begrijpen, om de spanning te articuleren, om de paradox te dragen zonder haar op te heffen. Want de mens is geen probleem dat opgelost moet worden. Hij is een vraag die gesteld moet blijven worden.
Wij zijn Hephaistos. Gevallen maar scheppend. Kreupel maar machtig. Dienend maar onwetend. Makend wat we niet begrijpen en lijdend aan wat we maken.
De smidse wacht.
Machina ex deus.
Einde van de Prolegomena
Inleiding. Genesis van de Technologische Mens.
Van Pottenbakker tot Pneumatische Programmeur
Het begin, zoals in de mythe van Genesis beschreven, is niet louter de schepping van de mens maar vooral de inauguratie van de mens als artefact. Adam, die, in de subtiliteit van de Hebreeuwse grondtekst, niet simpelweg wordt geschapen (baˉ′raˉ), maar wordt gevormd (yıˉṣer), met de hand van de Goddelijke Pottenbakker uit het stof (aˉ′paˉr) van de aarde.. De mens is dus vanaf zijn eerste kosmische ademteug een keramisch wezen, een hol vat; een sferische container die wacht op insufflatie. Deze insufflatie, de inblazing van de ruach, de goddelijke adem, de pneumatiek, is de oorspronkelijke handeling die inertie tot vitaliteit transformeert: klei tot ziel. Hier ontstaat het duale subjectiveringsprincipe: de mens is een paradoxale synthese van het aardse, de gewichtige materie, en het diviene, de gewichtsloze geest. De menselijke conditie, in haar diepste ontologische laag, is de keramische kramp: een permanente spanning tussen de onverbiddelijke contour van de geboetseerde vorm en het fluïde, de ongrijpbaarheid van de bezielende essentie. Het is de strijd tussen het geaarde en het transcendentale, tussen het gemaakte en het ingeblazene. Deze oorspronkelijke, onoplosbare paradox is niet slechts een theologische noot. Het is de dynamische motor, de heimelijke brandstof van de gehele menselijke geschiedenis. Het is een onophoudelijke queeste naar de vervulling van die initiële pneumatische leegte, een leegte die de mens meent te kunnen vullen door zelf tot maker te verrijzen. Deze eerste, primaire vervulling door goddelijke inblazing creëert een wezen dat fundamenteel open is, een 'openheid voor' de wereld, een ontvankelijkheid die zijn bestaan definieert. Het is in deze kwetsbare ontvankelijkheid waar de kiem van alle toekomstige vervreemding verborgen ligt: de noodzaak van een externe vulling – bevatting – die de eigen leegte moet compenseren, de fundamentele afhankelijkheid van iets wat niet intrinsiek is aan de materie zelf.
Deze eerste, pottenbakkersambachtelijke fase van de menselijke existentie is die van de hand en de directe aanraking. Het is de epoche waarin de menselijke geest zich nog onmiddellijk materialiseert in de kneedbare klei, in het tactiel bewerken van de directe, omringende omgeving. De wereld is hier nog primair de oikos, de intieme sfeer van het huis, het domein van het handwerk, van de aarde die met de blote handen wordt gevormd, van de gereedschappen die nog naadloos een verlengstuk vormen van het menselijk lichaam, de proprioceptieve sfeer van het immediate. De oikos, als concept, overstijgt hier de louter architecturale begrenzing van het huis; het omvat de gehele, overzichtelijke leefwereld van de vroege mens waar elke handeling, elke productie, elke interactie nog direct en tastbaar is. Het is een microkosmos van de huiselijke economie en het agrarische bestaan, waar het ritme van de seizoenen en de vruchtbaarheid van de aarde de dominante krachten zijn en waar de mens zich nog in een intieme co-existentie met zijn natuurlijke omgeving bevindt. In dit domein van het handwerk – het pottenbakken, weven, timmeren, land bewerken – wordt de menselijke vaardigheid gevormd in een constante, directe dialoog met de materialen. De gereedschappen, of het nu een simpele steen of een houten werktuig betreft, zijn geen afzonderlijke, autonome entiteiten; zij zijn dan nog een naadloos verlengstuk van het menselijk lichaam, van de hand die kneedt, hakt of spint. Ze mediëren de relatie tussen mens en materie, maar zij interponeren zich niet als een ondoorzichtige interface.
Dit alles culmineert in wat we de proprioceptieve sfeer van het immediate noemen. Proprioceptie, in zijn meest basale neurologische zin, is het vermogen van het lichaam om zijn eigen positie, beweging en oriëntatie in de ruimte waar te nemen zonder visuele controle. Het is het 'zesde zintuig' dat de pottenbakker in staat stelt de spanning in zijn vingers, de druk op de klei, de balans van het draaiende vat te voelen, zelfs met gesloten ogen. De sfeer van het immediate verwijst naar het onmiddellijke, ongefilterde karakter van deze ervaring. Er is geen tussenlaag van complexe machines, algoritmes of abstracte representaties die de directe zintuiglijke input verstoren of transformeren. De frictie tussen de wil van de pottenbakker en de weerbarstigheid van de klei – de subtiele weerstand, de veranderende textuur, de inherente vochtigheid die de vorm dicteert – is hier geen obstakel. Deze materiële 'tegenwerking' is eerder een voortdurende vorm van communicatie, een intelligente weerstand die de maker dwingt tot een responsieve, lichamelijke dialoog. Hij past de druk van zijn handen aan, de snelheid van de draaischijf, de hoeveelheid water, alles in een intuïtieve dans met het materiaal. Deze constante, onmiddellijke aanpassing is een gesprek zonder woorden tussen de maker en de materie, een directe wrijving waarbij het lichaam en de aarde in een onverbreekbare, intieme interactie zijn verwikkeld. De handen van de pottenbakker zijn niet alleen uitvoerende instrumenten, maar ook gevoelige sensoren die een rijkdom aan proprioceptieve informatie opvangen – de spanning in de spieren, de balans van het object, de temperatuur van de klei – die ononderbroken terugstroomt naar de maker, in een onmiddellijke en organische feedbackloop. In dit proces wordt de kennis niet primair via abstracte concepten of externe instructies verworven, maar via de diepe, lichamelijke beleving van het handelen zelf. Het is een ambachtelijke meditatie die de zintuigen scherpt en de aanwezigheid in het hier en nu verdiept, waardoor de subjectiviteit van de pottenbakker niet wordt verstrooid, maar juist geconcentreerd en verankerd in de fysieke realiteit van zijn schepping. Zijn identiteit als maker wordt in deze directe, tactiele confrontatie met de materie onontkoombaar en bekrachtigend bevestigd. De vervreemding in deze beginfase is dan ook nog relatief embryonaal, een subtiele sluier die zich manifesteert als de kloof tussen het idee dat in het hoofd van de maker oprijst en de weerbarstigheid van de materie, tussen de zuivere intentie en de onvermijdelijke imperfectie van de uitvoering. De mens is hier nog de soevereine heer van zijn techniek, de pottenbakker van zijn eigen lot, de architect van zijn directe omgeving, een wezen dat nog niet is onderworpen aan de duizelingwekkende snelheid, aan de overrompelende complexiteit, aan de onzichtbare, anonieme krachten van een inmiddels machinaal universum. De ruach is hier nog nabij, als een zachte bries die de werkplaats ventileert, als de collectieve adem die door het dorp waait, als de intieme uitwisseling tussen gezinsleden. Het is een sfeer van relatieve immanentie, waar de materiële wereld en de menselijke geest nog in een coherente, zij het niet altijd harmonieuze, relatie staan. De hand is hier de bemiddelaar tussen idee en materie, en in die bemiddeling ligt een nog onverstoorde, zij het beginnende, vorm van subjectiviteit. De wereld is de tuinsfeer van de menselijke cultivatie.
Maar de geschiedenis van de mens als schepper is, zoals wij in dit werk zullen betogen, een onophoudelijke genealogie van de materialen. En deze genealogie volgt een pad van toenemende hardheid, van koude, van distantie, van abstractie. De cruciale, ja, bijna existentiële overgang van de zachte, kneedbare klei naar het harde, glimmende, weerbarstige metaal is geen louter technologische sprong; het is een ontologische mutatie die de mens fundamenteel herdefinieert, zijn relatie tot de materie, tot de energie, en uiteindelijk tot zichzelf. De mens van het Neolithicum, de pottenbakker, is een wezen van de aarde, organisch verankerd, cyclisch verbonden met de seizoenen, met de ritmes van groei en verval, zijn kosmologie nog primair geënt op de aarde en de hemel. De mens van de Bronstijd en de IJzertijd, de smid, is daarentegen een wezen van het vuur, van de georganiseerde hitte, van de brute, geconcentreerde kracht en de nauwkeurige, herhaalde slag. De smederij van Hephaistos, de kreupele god, de uitgeworpene die desondanks de onvervangbare maker van de goddelijke werktuigen is, vormt de archetypische ruimte, de oer-fabriek, van deze materiële en existentiële transformatie. Dit is niet langer de idyllische setting van de oikos, maar een infernale, claustrofobische sfeer, een plaats waar de elementen van de natuur met geweld worden onderworpen. In tegenstelling tot de pottenbakker, die vormt en kneedt in een proces van additieve opbouw, een geduldige dialoog met de klei, is de smid een destructeur en herschepper. Hij vernietigt de oorspronkelijke, natuurlijke structuur van het metaal door het te smelten, het te liquideren, het te dwingen zijn innerlijke cohesie op te geven, en herstructureert het vervolgens met de onverbiddelijke, ritmische klop van de hamer. De zachte, pneumatische adem van de pottenbakker wordt, in deze infernale metamorfose, vervangen door de vurige, zwavelachtige adem van de smidse, de blaasbalg die de intensiteit van de oven opdrijft, een roffelend geluid, het oerbeeld van de industriële klank, de puls van de moderne machine. De mens, in deze nieuwe fase, wordt een thermodynamisch wezen. Hij leert dat zijn bestaan niet alleen wordt bepaald door de organische, natuurlijke cycli van zaaien en oogsten, van geboorte en dood, maar ook door de georganiseerde, gecontroleerde en geëxploiteerde kracht van de hitte, van de energie, van de verbranding. Hij leert de natuur te onderwerpen aan zijn wil, niet door omarming, maar door geweld, door de toepassing van een geconcentreerde, gecontroleerde kracht. De adem van de goddelijke insufflatie wordt hier niet langer in een vat geblazen, maar wordt omgezet in de energie die de materie transformeert. Deze archetypische overgang van pottenbakker naar smid markeert meer dan een technische vooruitgang; het is een fundamentele mutatie in de mens-techniekrelatie. Waar de pottenbakker een symbiose aanging met de affordances van de klei – de materie die uitnodigde tot een tactiele, proprioceptieve dialoog –, daar treedt de smid op als regisseur van kracht, die de agency van zijn gereedschap (hamer, aambeeld) moet kanaliseren om zijn wil aan het harde metaal op te leggen. De affordance van de hamer is niet dialoog, maar dominantie. Hier, in deze gemedieerde interface, ontkiemt de instrumentele vervreemding: de menselijke intentionaliteit scheidt zich af van de directe waarneming en wordt gemedieerd door een technisch object dat een eigen, onverbiddelijke logica met zich meedraagt.
Deze nieuwe vorm van vervreemding neemt in de vurige, rokerige smidse een meer sinistere gedaante aan, een die de mens verder van zijn oorspronkelijke, organische verankering verwijdert. De handeling van het smeden is radicaal anders dan het pottenbakken, en deze differentiatie is van cruciale fenomenologische betekenis, een verschuiving in de aard van de menselijke arbeid en zijn relatie tot zijn eigen creaties. Waar de pottenbakker nog een direct, bijna sensueel contact heeft met zijn materiaal, een dialoog met de klei die zich nog voegt naar de contour van zijn vingers, is de smid onvermijdelijk afhankelijk van zijn gereedschappen – de hamer, het aambeeld, de tangen, de blaasbalg – die een mediatie creëren, een afstand, een koude interface tussen hem en het gloeiende, maar ongenaakbare metaal. Deze mediatie is de eerste duidelijke kiem van de technologische vervreemding, een concept dat door denkers als Günther Anders in zijn analyse van de mens in het technologische tijdperk, en door Martin Heidegger in zijn beschouwingen over de techniek als Gestell, al werd geanticipeerd. Anders stelt dat de mens in het industriële tijdperk geconfronteerd wordt met een wereld van Prometheïsche schaamte, waarbij zijn producten hem overtreffen, wat leidt tot een gevoel van ontoereikendheid. Heidegger’s concept van Gestell beschrijft hoe technologie de werkelijkheid reduceert tot een 'bestand', een reservoir van energie dat op elk moment kan worden benut, waardoor de mens zelf deel wordt van dit bestand. De smid is niet langer één met zijn materiaal, hij is ertegenover geplaatst, als een soevereine kracht die het moet overwinnen, temmen, onderwerpen aan een vreemde wil, een wil die gedicteerd wordt door de logica van de functionaliteit en de efficiëntie. De hamer is een verlengstuk van de menselijke intentie, ja, maar het is een wereld-vormend instrument dat niet de organische, inherent vloeiende vorm van de natuur volgt, maar een abstracte, geometrische, door de mens opgelegde intentie, een ontwerp dat de natuur geweld aandoet. Dit is het cruciale moment waarop de mens definitief de weg van het instrumentalisme inslaat, het geloof dat de wereld een verzameling van manipuleerbare objecten is, een reusachtig atelier waar alles kan worden getransformeerd, bewerkt, geoptimaliseerd voor zijn eigen, projectieve doeleinden, een wereld die ontsloten kan worden door de juiste toepassing van kracht en technologie. Hij wordt de homo faber die niet langer in de wereld is als een bewoner, maar de wereld voor zichzelf wil maken, de wereld als een atelier beschouwt, een artefact in wording, een project. De ruach van de natuurlijke ademtocht verdwijnt in de stoom en het rumoer van de machines, in de geur van gesmolten metaal, in de afstomping van de zintuigen door het constante kabaal van de smidse. De mens, in zijn streven naar heerschappij, begint de harmonie van zijn eigen interne sfeer te verstoren, en de externe wereld transformeert van een omhelzende bol naar een te bewerken object.
De volgende, en meest radicale, sprong in deze bloedstollende genealogie van de schepper is de overgang van de smid naar de programmeur. Dit is geen loutere technologische ontwikkeling; het is een dematerialisatie van de scheppingsdaad, een ontlichamelijking van het ambacht, een sublimatie van de materie tot pure informatie, een overgang van het tastbare naar het puur abstracte. De pottenbakker werkte met de tactiele werkelijkheid van klei, de smid met de zintuiglijke hitte en hardheid van metaal; de programmeur daarentegen werkt met symbolen, met abstracties, met logica, met de onzichtbare architectuur van de ratio, met entiteiten die geen gewicht of temperatuur kennen. De smederij van Hephaistos, die nog tastbaar was in haar vuur, zweet en hard labeur, wordt een virtuele smederij, een efemere constructie van bits en bytes, een ontastbare wolk van data en algoritmes, een ruimte die zich onttrekt aan de zintuiglijke waarneming. De fysieke hamer is vervangen door de vluchtige keystroke, het solide aambeeld door de diffuse, onzichtbare serverfarm, het glimmende metaal door de immateriële, binaire code. Dit is de ultieme manifestatie van de autogenese van de mens – het creëren van een tweede werkelijkheid, een technosfeer die steeds meer autonoom opereert, schijnbaar onafhankelijk van de oorspronkelijke, fysieke wereld, een artificiële sfeer die de natuurlijke habitat als een tweede huid omvat en uiteindelijk dreigt te verstikken. De mens schept hier niet langer objecten, maar systemen, netwerken, simulatiewerelden die complexer zijn dan hijzelf, en die een eigen leven beginnen te leiden. De relatie tussen de maker en het gemaakte wordt hier zo vertroebeld, zo ondoorzichtig, dat de mens zijn eigen schepping niet meer volledig kan doorgronden, laat staan controleren.
De term programmeur draagt onmiskenbaar goddelijke proporties. Een programma is niet zomaar een instructie; het is een gecodificeerde intentie, een verzameling van absolute directieven die de werking van een machine, van een netwerk, van een virtuele entiteit voorschrijven, controleren, dicteren, tot in het meest minuscule detail. Het is het moderne equivalent van de goddelijke wil, een manifestatie van de logos in haar meest pure, binaire vorm, een logos die zichzelf van elke materiële last heeft ontdaan en puur als functionele causaliteit opereert. De programmeur is de nieuwe pneumateur; hij ademt niet langer leven in een keramisch vat, in een fysieke vorm, maar ademt intentie, logica en gedrag in de koude, elektrisch geladen architectuur van de chip. Hij is de logos van de techniek, de belichaming van de abstracte, causale logica die de machines, en daarmee steeds meer de menselijke interactie en perceptie, bestuurt en configureert. Dit is de derde pneumatische paradox: de mens, die in zijn hoogmoed de pneumatiek van de oorspronkelijke God trachtte te repliceren, heeft zich nu genesteld in een sfeer waar hij zelf de onbetwiste gever van de ‘adem’ is – maar het is een adem van code, van pure ratio, van een geautomatiseerde causaliteit, zonder de vitale, warme, organische kwaliteit van de oorspronkelijke ruach. De goddelijke daad van insufflatie is gereduceerd tot een syntactische operatie, een constructie van abstracte structuren die de werkelijkheid niet bezielen, maar simuleren, die een schijn van leven geven aan dode materie, maar zelf verstoken zijn van elke vitale puls. De programma's zijn de nieuwe automaten van Hephaistos, maar nu niet meer van goud en brons, doch van pure informatie, van berekeningen, van de meest vluchtige materie die de mens ooit heeft getemd. En in deze poging tot goddelijkheid verliest de mens paradoxaal genoeg zijn eigen menselijkheid, door zich te reduceren tot de logica die hijzelf heeft ontworpen.
De vervreemding, in dit nieuwe, digitale tijdperk, wordt radicaal, subtiel en alomvattend, een onzichtbaar web dat zich om de menselijke existentie spint. De programmeur, de meester van de code, is niet langer een wezen dat de materie direct aanraakt. Sterker nog, het contact met de materie is vrijwel volledig geabstraheerd, gemedieerd door lagen van interfaces en protocollen. De afstand tussen de intentie en het resultaat is exponentieel geëxplodeerd, wat leidt tot een fundamenteel gevoel van machteloosheid en ondoorzichtigheid. De code is onzichtbaar, de onderliggende circuits zijn onzichtbaar, de data die stromen zijn onzichtbaar. Dit leidt tot een fundamentele desoriëntatie, een concept dat door Bernard Stiegler indringend is geanalyseerd in zijn werk over techniek en tijd, waarbij de mens zich bevindt in een wereld die hij weliswaar zelf heeft gecreëerd, maar die hij niet meer in haar totaliteit kan overzien of begrijpen. Stiegler betoogt dat de technologie, als exteriorisatie van het geheugen, ons van onze oorspronkelijke cognitieve capaciteiten berooft, wat leidt tot een collectieve amnesie en een fundamentele fragiliteit van het bestaan. Onze dagelijkse handelingen – een telefoongesprek, een banktransactie, een zoekopdracht op het internet, de algoritmes die onze feed bepalen, de 'slimme' apparaten die ons 'helpen' – zijn afhankelijk van een complexe, onzichtbare, vaak ondoorzichtige infrastructuur die voor de gemiddelde gebruiker een hermetische black box is. We weten niet hoe ze werken, wie ze controleert, of welke impliciete instructies ze volgen. We zijn niet langer de meesters van onze instrumenten, maar de geketende subjecten die door de architectuur van de technologie zelf worden geconfigureerd, geprogrammeerd, gestuurd, hun gedrag gemodelleerd en voorspeld. We dachten dat we de nieuwe goden waren, de programmeurs van onze eigen realiteit, de scheppers van een perfectere wereld, maar we zijn de onwetende gebruikers geworden van een systeem dat, in zijn onzichtbare werking, ons leven programmeert, onze verlangens voorspelt en onze aandacht stuurt, vaak naar commerciële of politieke doeleinden. De mens, in zijn ijver om de ultieme maker te zijn, heeft een wereld gecreëerd waarin hijzelf een object van analyse en manipulatie wordt.
Dit genealogische pad, van klei naar code, heeft een fundamenteel en diepgaand schisma in de menselijke ziel teweeggebracht, een scheuring in het hart van de menselijke identiteit, een interne breuk die steeds moeilijker te genezen valt. Het is de splitsing tussen de keramische kramp en de metaalmoeheid. De keramische kramp is de existentiële spanning tussen de fysieke, biologische mens – een wezen van vlees en bloed, van emotie en kwetsbaarheid, van tactiele ervaringen en organische ritmes, van de ruach die hem bezielt – en de digitale, technologische mens, een wezen van data, efficiëntie en koude logica, van de gecodificeerde adem die hem aanstuurt. De mens van de oikos, van de gemeenschap, van de directe aanraking, van het langzame, ambachtelijke tempo, wordt geconfronteerd met de mens van de agora van het internet, van de gefragmenteerde, geautomatiseerde interactie, van de hyperverbonden, doch geïsoleerde sfeer, een sfeer waarin de sociale bindingen dunner worden en de authenticiteit van de ontmoeting erodeert. Deze kramp manifesteert zich in een onophoudelijke frictie tussen het organische en het machinale, tussen de beperkingen van het lichaam en de ogenschijnlijk grenzeloze mogelijkheden van de geest, tussen de natuurlijke traagheid van het denken en de artificiële snelheid van de informatie. Het is de mens die met zijn smartphone in de hand langs een bloeiend veld loopt, zijn aandacht getrokken door de virtuele wereld op het scherm, blind voor de sensuele rijkdom van de directe omgeving. Het is de spanning tussen de behoefte aan stilte en de dwang tot constante bereikbaarheid, tussen de diepte van de contemplatie en de oppervlakkigheid van de 'feed'. Deze kramp, deze constante interne frictie, erodeert langzaam de sferische holheid van het menselijk zijn.
De metaalmoeheid is de onvermijdelijke, existentiële consequentie van deze diepe kramp, de prijs die de mens betaalt voor zijn technologische triomf. Zoals een stuk metaal dat te vaak wordt gehamerd, gebogen en vervormd, uiteindelijk zijn structurele integriteit verliest en breuklijnen ontwikkelt, zo ontwikkelt de mens, die voortdurend wordt blootgesteld aan de snelheid, de druk en de constante signalenstroom van de technosfeer, interne, vaak onzichtbare, breuklijnen en spanningen die zijn vermogen tot leven ondermijnen. Dit is de existentiële uitputting, de burn-out die niet louter een psychologisch fenomeen is, een diagnose voor het individu, maar een collectieve manifestatie van de fundamentele frictie tussen onze biologische, keramische natuur en onze technologische, metalen omgeving. De mens is, evolutionair gezien, niet gemaakt om met de snelheid van het licht te navigeren door een oneindige stroom van informatie, om een onophoudelijke stroom van prikkels te verwerken, om een constante staat van bereikbaarheid en responsiviteit te handhaven, om zijn aandacht te verdelen over talloze virtuele domeinen tegelijk. De ziel, die eens een sferische holheid was die adem kon omvatten, die ruimte bood voor reflectie en stilte, voor de diepte van de innerlijke dialoog, wordt nu overspoeld, overbelast en uitgeput door een onophoudelijke ruis, een kakofonie van notificaties, een spervuur van irrelevante signalen, een constante prikkeling die de mogelijkheid tot diepere concentratie en contemplatie vernietigt. De vervreemding is hier niet alleen een afstand tot de wereld of tot de ander, maar een afstand tot zichzelf, een verlies van de eigen innerlijke kern, een erosie van de autonome subjectiviteit die niet langer weet wat zij wil of wie zij is buiten de gedigitaliseerde parameters. De mens, gehamerd door zijn eigen creaties, lijdt aan de ziekte van zijn eigen overdaad, een paradoxale uitputting in een tijdperk van schijnbare efficiëntie. Deze metaalmoeheid uit zich niet alleen in individuele vermoeidheid, maar ook in een collectief gevoel van apathie, cynisme en een onvermogen om te reageren op de crises die de technosfeer zelf voortbrengt. De collectieve ruach lijkt te verflauwen.
De politiek van de vervreemding in dit Hephaistische tijdperk is dan ook complexer, subtieler en des te verraderlijker dan in eerdere industriële perioden. De macht wordt niet langer openlijk gehamerd op het aambeeld van de staat of de fabriek, zichtbaar in de rook en het zweet van de arbeid, maar bevindt zich in de onzichtbare architectuur van de netwerken, in de vluchtige logica van de algoritmes, in de ondoorgrondelijke diepten van de datafarms. Dit is de scherpe analyse van Langdon Winner over de politiek van artefacten, waarbij hij aantoont hoe zelfs schijnbaar neutrale technische objecten, zoals de viaducten, gebouwd op Long Island in de jaren dertig van de twintigste eeuw door Robert Moses, die bewust te laag waren om bussen met armere en mensen van kleur – gepolitiseerde minderheden – te belemmeren te recreëren aan de kust, diepe politieke implicaties kunnen hebben en sociale ongelijkheden kunnen bestendigen. Techniek is nooit neutraal; zij is altijd een ingebedde expressie van machtsverhoudingen. En het is de onthullende diagnose van Shoshana Zuboff over het surveillancekapitalisme, waarin de menselijke ervaring niet langer het domein van het autonome subject is, maar een ruwe grondstof die wordt geëxtraheerd, geanalyseerd en verkocht. Onze 'ongebondenheid' en 'vrijheid' in de digitale sfeer zijn vaak slechts de illusie van controle, een zorgvuldig geconstrueerde façade, terwijl onze data, onze verlangens, onze identiteit en zelfs onze toekomstige handelingen worden bewerkt, geconfigureerd en voorspeld door de onzichtbare handen van de programma's. De programmeur, in zijn goddelijke arrogantie, creëert een wereld die ons meer en meer bepaalt, zonder dat we de mechanica, de logica, de ware intentie ervan kunnen doorgronden of de controle kunnen terugnemen. We zijn de marionetten geworden van de algoritmes die we zelf hebben geschreven, dansend naar de pijpen van onzichtbare meesters die onze aandacht en ons gedrag monetariseert. De metaalmoeheid is zo de prijs van onze technologische hybris, een chronische ziekte van de ziel in een tijdperk van ongekende controle.
Dit genealogische pad, dat de mens heeft gevoerd van de klei naar de code, van het kneedbare naar het onzichtbaar programmeerbare, leidt ons uiteindelijk tot een fundamentele existentiële keuze, een kruispunt in de menselijke geschiedenis dat verreikende gevolgen heeft voor onze toekomst. Gaan we onverminderd door op het pad van de programmeur, in de hoogmoedige hoop dat we ooit de ware goddelijke pneumatiek kunnen repliceren, en daarmee de vervreemding onvermijdelijk verdiepen tot een totale ontkoppeling van onze biologische en sociale ankers, een complete aliënatie van de mens tot zichzelf en zijn medemens? Of is er een terugkeer naar de pottenbakker mogelijk? Dit is geen naïeve, romantische oproep tot een pre-technologische utopie, geen Luddiet-achtige vernietiging van de machines die de vooruitgang willen stoppen. Het is een filosofisch project, een diepgaande zoektocht naar een wijzere technologische praktijk die de lessen van deze lange, complexe geschiedenis ter harte neemt, die de genealogie van de materialen en de daarmee samenhangende vervreemding erkent en probeert te overstijgen. Het is de oproep van Bernard Stiegler om de epimeleia – ἐπιμέλεια, de zorg voor het Zelff – voor onze techniek te herontdekken, om te erkennen dat technologie niet alleen een verlengstuk van ons is, een neutraal gereedschap, maar, in haar ambiguïteit, zowel een medicijn als een gif, een pharmakon. De vraag is niet of we technologie moeten gebruiken, want dat is een gepasseerd station; de vraag is hoe we haar op een manier kunnen gebruiken die onze keramische holheid niet leegzuigt, niet verstikt met nutteloze data en oppervlakkige connecties, maar juist vervult met authentieke ruach, met betekenis, met verbinding, met diepgang. Het gaat om het herwaarderen van de traagheid, van het handwerk, van de directe aanraking, van de kwetsbaarheid, van het ongemakkelijke, imperfecte en kwetsbare menselijke bestaan dat in de technosfeer zo vaak wordt verdrongen, geoptimaliseerd, gecorrigeerd. Kunnen we de ‘adem’ van de pneumateur opnieuw vinden, niet in de machines, in de algoritmes, maar in de gemeenschap, in de aarde, in de contemplatie van het zelf, in de stilte die de ruis doorbreekt en de mogelijkheid biedt voor een authentieke ontmoeting met het zijn? Het is de vraag of de keramische holheid, die oorspronkelijke ontvankelijkheid, kan worden herontdekt onder de glimmende, gesmede oppervlakte van het metaal van de ziel, of onder de abstracte, ijzige lagen van de code, voordat de metaalmoeheid onomkeerbaar wordt en de ziel onherkenbaar breekt.
Dit genealogische pad, dat de mens heeft gevoerd van de klei naar de code, van het kneedbare naar het onzichtbaar programmeerbare, leidt ons uiteindelijk tot een fundamentele existentiële keuze, een kruispunt in de menselijke geschiedenis dat verreikende gevolgen heeft voor onze toekomst. Gaan we onverminderd door op het pad van de programmeur, in de hoogmoedige hoop dat we ooit de ware goddelijke pneumatiek kunnen repliceren, en daarmee de vervreemding onvermijdelijk verdiepen tot een totale ontkoppeling van onze biologische en sociale ankers, een complete aliënatie van de mens tot zichzelf en zijn medemens? Of is er een terugkeer naar de pottenbakker mogelijk?
Maar deze vraag, hoe urgent ook, mist nog een diepere laag. Want waarom gaat de mens dit pad überhaupt op? Waarom kan hij niet stoppen met smeden, met programmeren, met transformeren? Gehlen heeft ons geleerd dat de mens een Mängelwesen is, een gebrekkig wezen dat technologie moet maken om te overleven. Maar dit verklaart niet de intensiteit van de technologische ambitie, de onverzadigbare honger naar steeds meer macht, steeds meer controle, steeds meer transcendentie. De mens maakt niet alleen om te overleven. Hij maakt om god te worden. En dat is waar de tragiek begint.
De mythe van Genesis, die we aan het begin van deze inleiding aanroepen, vertelt ons niet alleen dat de mens gevormd is uit klei en beademd met goddelijke ruach. Ze vertelt ons ook dat de mens gemaakt is naar het beeld en gelijkenis van God – tselem Elohim. Dit is de oorsprong van de goddelijke ambitie. De mens draagt in zich een vonk van het goddelijke, een herinnering aan de adem die hem leven gaf, en deze herinnering wordt een obsessie, een verlangen dat nooit bevredigd kan worden. Hij is klei, maar hij voelt zich als adem. Hij is eindig, maar hij droomt van oneindigheid. Hij is sterfelijk, maar hij verlangt naar onsterfelijkheid. En in dit verlangen ligt de motor van alle technologische ontwikkeling, van alle macht, van alle vervreemding.
De pottenbakker maakt een vat om water te bewaren, maar hij maakt ook een vat om de leegte te vullen, om de holte in zichzelf te compenseren. De smid smeedt een zwaard om te verdedigen, maar hij smeedt ook een instrument van heerschappij, een verlengstuk van zijn wil om de wereld naar zijn hand te zetten. De programmeur schrijft code om problemen op te lossen, maar hij schrijft ook een nieuwe werkelijkheid waarin hij zelf de wetten dicteert, waarin hij zelf de schepper is. Elke technologische stap is een poging om de afstand tussen de klei en de adem te overbruggen, om de onvoltooidheid te voltooien, om het goddelijke te bereiken.
Maar hier schuilt de tragiek. Want de ladder die de mens bouwt om naar de hemel te klimmen, blijkt een tredmolen te zijn. Elke sport die hij toevoegt, maakt de ladder hoger. Elke technologische oplossing creëert nieuwe problemen die om nieuwe oplossingen vragen. De pottenbakker wordt smid omdat de pot niet genoeg is. De smid wordt programmeur omdat het metaal niet genoeg is. En de programmeur? Waartoe zal hij worden? Cyborg? Posthumaan? Pure informatie? Het eindpunt van deze ladder is niet de hemel, maar de zelfvernietiging. Want een voltooide mens is geen mens meer. Een wezen zonder verlangen, zonder onvoltooidheid, zonder kramp, is geen levend wezen maar een machine – of een god, wat op hetzelfde neerkomt.
Dit is de les van Hephaistos, de kreupele god die van de Olympus viel en in zijn smederij op aarde de werktuigen van de goden smeedt. Hephaistos is de proto-god van de menselijke conditie, niet omdat hij de mens liefheeft zoals Prometheus, maar omdat hij is wat de mens is: gevallen maar scheppend, kreupel maar machtig, dienend maar onwetend. Hephaistos maakt de onverwoestbare wapens van de goden, de ketenen waarmee Prometheus aan de rots wordt geketend, de automaten die de goden dienen. Maar hij weet niet wat de consequenties zijn van wat hij maakt. Hij is de maker die lijdt aan zijn eigen maakwerk, de schepper die gevangen zit in zijn eigen scheppingen.
Dit is wat we machina ex deus noemen – de omkering van deus ex machina. Niet de god die uit de machine komt om de plot op te lossen, maar de machine die uit de god komt en een eigen leven gaat leiden, een eigen logica ontwikkelt, een eigen macht uitoefent die de maker zelf niet meer kan beheersen. De automaten van Hephaistos zijn niet langer dienaren van de goden, maar worden zelf machten die de werkelijkheid vormgeven. De programma's van de moderne programmeur zijn niet langer instrumenten van menselijke intentie, maar worden zelf actoren in een wereld die steeds ondoorzichtiger wordt, steeds autonomer, steeds onbeheersbaarder.
Hephaistos is de god die niet weet wat hij maakt. En dat is precies de menselijke conditie in het technologische tijdperk. We bouwen systemen die complexer zijn dan wijzelf, we creëren netwerken die we niet meer kunnen overzien, we programmeren algoritmes waarvan we de uitkomsten niet kunnen voorspellen. We dachten dat we de nieuwe goden waren, de programmeurs van onze eigen realiteit, de scheppers van een perfectere wereld. Maar we zijn de marionetten geworden van de algoritmes die we zelf hebben geschreven, dansend naar de pijpen van onzichtbare meesters die onze aandacht en ons gedrag monetariseren. De metaalmoeheid is zo de prijs van onze technologische hybris, een chronische ziekte van de ziel in een tijdperk van ongekende controle – een controle die we niet uitoefenen, maar die ons beheerst.
De vraag die deze genealogie van de technologische mens oproept, is dan ook niet alleen een praktische vraag over welke technologie we moeten ontwikkelen of welke we moeten vermijden. Het is een existentiële vraag over wie we willen zijn, over hoe we willen leven met onze onvoltooidheid, met onze keramische kramp. Kunnen we de spanning dragen tussen de klei en de adem, tussen onze eindigheid en ons verlangen naar oneindigheid, zonder te vervallen in de illusie dat we die spanning kunnen opheffen door technologie? Kunnen we de pottenbakker in onszelf herontdekken – niet als een naïeve terugkeer naar een pre-technologische utopie, maar als een wijsheid die erkent dat de mens fundamenteel onvoltooid is en dat deze onvoltooidheid niet een gebrek is dat verholpen moet worden, maar de voorwaarde van ons mens-zijn?
Of zijn we gedoemd om door te gaan op het pad van Hephaistos, om te blijven smeden in de hoop dat de volgende technologie, de volgende innovatie, de volgende sprong ons eindelijk zal bevrijden van onze sterfelijkheid, onze kwetsbaarheid, onze afhankelijkheid? En als we dat pad blijven volgen, wat zal er dan overblijven van de mens wanneer de ladder naar de hemel eindelijk is voltooid? Zal er nog een mens zijn om de top te bereiken, of zullen we onderweg zijn verdwenen, opgelost in de code, getransformeerd tot iets dat niet langer herkenbaar is als menselijk?
Dit is de drempel van de Hephaistossmederij die we nu betreden. Het is een drempel die niet alleen de fysieke ruimte van de smederij markeert, maar ook de existentiële overgang van het menselijk zijn in een wereld die steeds meer door zichzelf is gemaakt, waarin de vervreemding zich manifesteert in elke slag, elke pixel, elke onzichtbare lijn code. Het is de drempel waar de mythe van de schepping en de harde werkelijkheid van de machine elkaar ontmoeten, waar de belofte van zelfvergoddelijking en de dreiging van vervreemding in één en dezelfde adem worden ingeblazen – een adem die nu ook de geur van zwavel en de koude, geordende logica van de machine draagt.
Deze reflectie op de genealogie van de technologische mens is echter niet louter een abstracte filosofische exercitie, een vlucht in de geschiedenis om de complexiteit van het heden te ontvluchten. Zij dient als de poort, de ingang, tot een diepgaandere analyse van de concrete manifestaties van deze transformatie in onze hedendaagse wereld. Het is de ouverture tot een symfonie van denken die de complexe, vaak tegenstrijdige, relatie tussen Mythos en techniek, tussen de oorspronkelijke scheppingsverhalen en de meest geavanceerde uitvindingen, zal ontvouwen, een symfonie waarin de dissonanten van vervreemding onvermijdelijk klinken, doch ook de flarden van een mogelijke harmonie doorklinken. De vraag naar de mens als keramisch vat, gehamerd tot metaal, en nu geprogrammeerd tot een simulatie, leidt ons nu naar de drempel van de Hephaistos-fabriek zelf. Het is een drempel die niet alleen de fysieke ruimte van de smederij markeert, een plaats waar materie en wil elkaar ontmoeten in een explosie van energie en vorm, maar ook de existentiële overgang van het menselijk zijn in een wereld die steeds meer door zichzelf is gemaakt, en waarin de vervreemding zich manifesteert in elke slag, elke pixel, elke onzichtbare lijn code. Deze drempel is het grensvlak waar licht en donker elkaar ontmoeten, waar de mythe van de schepping overgaat in de harde werkelijkheid van de machine, waar het gloeiende metaal van de verbeelding wordt geslagen tot de harde werkelijkheid van draad en schakeling. Hier ontmoeten eeuwenoude verhalen de nieuwste uitvindingen elkaar, en Hephaistos buigt zich over zijn smeedwerk. Elke hamerslag beantwoordt een oude belofte: van de gestolen vonk van Prometheus tot de koude gloed van het LED-scherm dat ons gezicht bespeelt – dezelfde drift, andere materie. Deze smederij is geen louter metafoor, maar een dispositief in de ware zin van het woord, een architectuur van macht die subjecten produceert en reguleert, die onze begeerten aanwakkert en onze relaties configureert. Deze reis begint, zoals alle grote reizen die ons werkelijk transformeren, bij een punt van binnenkomst, een punt waar de mythe van de schepping en de realiteit van de machine elkaar in een duizelingwekkende dans ontmoeten, waar de belofte van zelfvergoddelijking en de dreiging van vervreemding in één en dezelfde adem worden ingeblazen, een adem die nu ook de geur van zwavel en de koude, geordende logica van de machine draagt. De poort staat open, het aambeeld wacht, en de roep van de hamer, een echo van het verleden en een voorbode van de toekomst, resoneert in de voorkamer van de smederij. Het is precies hier, op dit grensvlak van licht en donker, waar de mythe van de schepping en de harde werkelijkheid van de machine elkaar ontmoeten, dat een drempel zich opent – niet slechts symbolisch, maar met een verontrustende concreetheid. Deze drempel, die de belofte van zelfvergoddelijking en de dreiging van vervreemding in één en dezelfde adem inblaast, is de ingang tot de fabriek die wij nu, in al onze ambivalente menselijkheid, zullen betreden.
Bibliografie
Genummerd op volgorde van eerste vermelding in de tekst
[1]↑ Adorno, Theodor W. (2013). Minima Moralia. Boom, Amsterdam.
[2]↑ Adorno, Theodor W. & Horkheimer, Max (2007). Dialectiek van de Verlichting. Boom, Amsterdam.
[3]↑ Aeschylus (500 BCE). Prometheus Bound.
[4]↑ Agamben, Giorgio (2004). Het Open. De mens en het dier. Boom, Amsterdam.
[5]↑ Agamben, Giorgio (2009). What is an Apparatus? and Other Essays. Stanford University Press.
[6]↑ Agamben, Giorgio (2009). Wat is een dispositief?. Boom, Amsterdam.
[7]↑ Arendt, Hannah (2006). Vita Activa. Boom, Amsterdam.
[8]↑ Arendt, Hannah (1951). De oorsprong van het totalitarisme. Boom, Amsterdam.
[9]↑ Arendt, Hannah (2006). Vita Activa: Over het actieve leven. Boom.
[10]↑ Aretaeus van Cappadocië (1e eeuw n.Chr.). De Causis et Signis Acutorum Morborum [Over de oorzaken en tekenen van acute ziekten], I.VI.Link
[11]↑ Benjamin, Walter (2017). Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid. Boom, Amsterdam.
[12]↑ Borgmann, Albert (1984). Technology and the Character of Contemporary Life. University of Chicago Press, Chicago.
[13]↑ Braun, D.R., et al. (2019). Earliest known Oldowan artifacts at >2.58 Ma from Ledi-Geraru, Ethiopia. Proceedings of the National Academy of Sciences, 116(24), 11712-11717Link
[14]↑ Craig, O.E., et al. (2013). Earliest evidence for the use of pottery. Nature, 496, 351-354Link
[15]↑ Ellul, Jacques (1964). The Technological Society. Vintage Books.
[16]↑ Fisher, Mark (2009). Capitalist Realism: Is There No Alternative?. Zero Books, Winchester.
[17]↑ Foucault, Michel (1978). Sécurité, Territoire, Population. Gallimard/Seuil, Parijs.
[18]↑ Foucault, Michel (1989). Discipline, toezicht en straf: De geboorte van de gevangenis. Historische Uitgeverij.
[19]↑ Galassi, F.M., et al. (2025). Tetanus: historical and palaeopathological aspects considering its current health impact. Journal of Preventive Medicine and Hygiene, 65(4), E580-E585DOI: 10.15167/2421-4248/jpmh2024.65.4.3376
[20]↑ Gehlen, Arnold (1940). Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt.
[21]↑ Gehlen, Arnold (1957). Die Seele im technischen Zeitalter: Sozialpsychologische Probleme in der industriellen Gesellschaft. Rowohlt.
[22]↑ Gehlen, Arnold (1940). Der Mensch: Seine Natur und seine Stellung in der Welt. Junker und Dünnhaupt.
[23]↑ Goethe, Johann Wolfgang von (1797). Der Zauberlehrling.
[24]↑ Han, Byung-Chul (2012). De vermoeide samenleving. Van Gennep.
[25]↑ Haraway, Donna J. (2016). Staying with the Trouble: Making Kin in the Chthulucene. Duke University Press.
[26]↑ Hayles, N. Katherine (2012). How We Think: Digital Media and Contemporary Technogenesis. University of Chicago Press, Chicago.
[27]↑ Heidegger, Martin (1954). Die Frage nach der Technik. Neske.
[28]↑ Heidegger, Martin (1998). Zijn en tijd. SUN.
[29]↑ Hesiodus (1910). Theogonie.
[30]↑ Hesiodus (2011). Werken en Dagen.
[31]↑ Jonas, Hans (1979). Het principe verantwoordelijkheid. Suhrkamp, Frankfurt am Main.
[33]↑ Kockelkoren, Petran (1998). Techniek: Kunst, Cultuur, Communicatie. Boom.
[34]↑ Latour, Bruno (2005). Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network-Theory. Oxford University Press.
[35]↑ Marcuse, Herbert (1964). One-Dimensional Man: Studies in the Ideology of Advanced Industrial Society. Beacon Press.
[36]↑ Nietzsche, Friedrich (1883). Also sprach Zarathustra. Boom, Amsterdam.
[37]↑ Nietzsche, Friedrich (2015). Aldus sprak Zarathoestra: Een boek voor allen en niemand. Boom.
[38]↑ Nussbaum, Martha (2011). Creating Capabilities: The Human Development Approach. Harvard University Press, Cambridge MA.
[39]↑ Rand, Ayn (1957). Atlas Shrugged. Random House.
[40]↑ Ricoeur, Paul (1965). De l'interprétation: Essai sur Freud. Seuil, Parijs.
[41]↑ Shelley, Mary (1818). Frankenstein; or, The Modern Prometheus. Lackington, Hughes, Harding, Mavor & Jones, Londen.
[42]↑ Simondon, Gilbert (1958). Du Mode d'Existence des Objets Techniques. Aubier, Parijs.
[43]↑ Simondon, Gilbert (1958). Du mode d'existence des objets techniques. Aubier.
[44]↑ Sloterdijk, Peter (2009). Je moet je leven veranderen: Over antropotechniek. Boom.
[45]↑ Sloterdijk, Peter (2004). Sphären III: Schäume. Suhrkamp.
[46]↑ Stiegler, Bernard (1994). La Technique et le Temps. Galilée, Parijs.
[47]↑ Stiegler, Bernard (2020). The Initial Trauma of Exosomatization.
[48]↑ Stiegler, Bernard (1994). La Technique et le Temps, 1: La Faute d'Épiméthée. Galilée.
[49]↑ Thiel, Peter (2014). Zero to One: Notes on Startups, or How to Build the Future. Crown Business.
[50]↑ Weizenbaum, Joseph (1966). ELIZA—A Computer Program for the Study of Natural Language Communication between Man and Machine. Communications of the ACM, 9(1), 36-45
[51]↑ Westermann, Claus (1987). Genesis 1-11: A Commentary.
[52]↑ Westermann, Claus (1987). Genesis: Een praktische bijbelverklaring. Deel I. J.H. Kok.
[53]↑ Winner, Langdon (1980). Do Artifacts Have Politics?. Daedalus
[54]↑ Zuboff, Shoshana (2019). The Age of Surveillance Capitalism: The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power. PublicAffairs.
Licentie & Gebruik
© 2025 Kees Winkel. "Prolegomena: In de Smidse van Hephaistos". Dit werk is gelicenseerd onder een Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0 Internationaal licentie.
U bent vrij om:
- Delen — het materiaal te kopiëren en te verspreiden
- Bewerken — het materiaal te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
Onder de volgende voorwaarden:
- Naamsvermelding — U moet de auteur vermelden, een link naar de licentie geven, en aangeven of het werk veranderd is. Gebruik de citatie-generator op deze pagina voor correcte annotatie.
- NietCommercieel — U mag het werk niet voor commerciële doeleinden gebruiken zonder expliciete toestemming van de auteur.
- GelijkDelen — Als u het werk heeft geremixt, veranderd, of op het werk heeft voortgebouwd, moet u het veranderde materiaal verspreiden onder dezelfde licentie als het originele werk.
Voor commercieel gebruik of andere vragen, neem contact op via [email protected]
Citeer dit artikel
APA
Kees Winkel. (2025). Prolegomena: In de Smidse van Hephaistos: De Keramische Kramp als Metafysica van de Spanning. Keramische Kramp. https://keramische-kramp.nl/artikel/hephaistos-prolegomena
Chicago
Kees Winkel. "Prolegomena: In de Smidse van Hephaistos: De Keramische Kramp als Metafysica van de Spanning." Keramische Kramp, 2025. https://keramische-kramp.nl/artikel/hephaistos-prolegomena.
MLA
Kees Winkel. "Prolegomena: In de Smidse van Hephaistos: De Keramische Kramp als Metafysica van de Spanning."Keramische Kramp, 2025, keramische-kramp.nl/artikel/hephaistos-prolegomena.